Varkenshouderij

Achtergrond 10 reacties

40 biggen niet voor iedereen haalbaar

Bij 30 gespeende biggen per zeug lijkt een grens te liggen, toch zijn er zeugenhouders die daar ver overheen gaan. Genetisch is 40 biggen mogelijk, maar dan moet complete bedrijfsplaatje kloppen.

Rond 1990 leek 25 gespeende biggen per zeug per jaar schier onmogelijk. Zeugenhouders moesten al van goeden huize komen om meer dan 22 biggen per jaar te realiseren. Anno 2019 ligt het gemiddelde aantal geleverde biggen net iets boven de 29 en behaalt een klein deel van de zeugenhouders 35 biggen. Dit alles door betere genetica en management en uitgebalanceerder voer. Gaat de groei van de productie nog door? Wanneer doorbreken de eerste bedrijven de 40 biggen per zeug per jaar?

De stap van 30 naar 40 gespeende biggen per zeug is groot en zal niet voor iedere zeugenhouder zijn weggelegd. - Foto: Hans Prinsen
De stap van 30 naar 40 gespeende biggen per zeug is groot en zal niet voor iedere zeugenhouder zijn weggelegd. - Foto: Hans Prinsen

Stefan Derks, directeur Klasse KI/DanBred Nederland is stellig over het aantal te leveren biggen per jaar: “Ik verwacht dat de eerste zeugenhouders in de komende 5 jaar naar 40 biggen gaan en daarna is 45 genetisch ook mogelijk. Er zijn al bedrijven die gemiddeld meer dan 16 biggen per worp spenen.”

Productiestijging van 10 tot 20% altijd rendabel

Elke big meer die het bedrijf verlaat, levert geld op. Uit een berekening van Robert Hoste van Wageningen UR en Jan Pijnenburg van DLV Advies in opdracht van de Stuurgroep Bigvitaliteit komt naar voren dat een productiestijging van 10 tot 20% altijd rendabel is, ongeacht het niveau van de bestaande productie. Dit kan echter alleen als er de juiste maatregelen bij genomen worden.

Verkoop speenbig minst interessant

Elke big die er per zeug extra wordt grootgebracht, levert geld op. Maar dan moeten wel de juiste maatregelen genomen worden. Meer biggen per zeug betekent bijvoorbeeld een lager geboortegewicht, iets wat in de hele periode als vleesvarken niet kan worden goedgemaakt. Een lichtere big levert in principe een wat lagere biggenprijs op. Meer biggen betekent ook dat er binnen het bedrijf een en ander moet veranderen; er moet wel plaats zijn voor deze biggen.

Minder kilo’s kosten geld
Hoste en Pijnenburg rekenden voor een bedrijf met 600 zeugen door wat meer biggen bedrijfseconomisch betekent als de zeugenhouder omwille van de ruimte speenbiggen gaat verkopen, het aantal zeugen vermindert, of meer stalruimte voor gespeende biggen bouwt. Het verkopen van speenbiggen levert het minste rendement op. Tot 31 à 32 biggen kan het nog uit, daarboven gaat het afleveren van minder kilo’s geld kosten. Plaats maken voor biggen door minder zeugen aan te houden, blijft wel geld opleveren. Deze optie is vooral rendabel bij hoge biggenprijzen en een hoge productiviteit. De totale kosten dalen terwijl de extra biggen meer geld binnen brengen. Het optimum is daarbij berekent rond de 33,4 biggen per jaar. Daarna vlakt het resultaat af.

Stalruimte bijbouwen
Hetzelfde aantal zeugen aanhouden plus meer biggen per zeug is de meest rendabele optie, mits er stalruimte bijgebouwd kan worden. Door meer ruimte voor gespeende biggen kan er geïnvesteerd worden in de opfok na spenen en daardoor kunnen zwaardere biggen worden geleverd. In dit scenario blijft elke big, ook al fluctueren de opbrengstprijzen, geld opleveren.

 

Genetisch mogelijk

Richting de 40 gespeende biggen of zelfs daarover lijkt genetisch wel mogelijk. Ook bij de huidige worpindex van 2,35 – 2,4 moet het aantal biggen per worp boven de 18 liggen om bij de huidige uitval op 16 groot gebrachte biggen per worp te komen, stelt Jean-Marie van Oort, directeur van Topigs Norsvin Nederland: “Theoretisch zijn er al zeugen die dit kunnen. Uit onderzoek van Topigs Norsvin blijkt dat 67% van de zeugen al 16 spenen of meer hebben. Dat zou betekenen dat 40 gespeende biggen kan.”

Het zit er wel in, maar komt er niet uit

Net als bij daggroei en bevleesdheid wordt bij de biggenproductie het genetisch potentieel niet voor de volle 100% gehaald. Met andere woorden: het zit er wel in, maar komt er niet uit. De fokkerij zet niet alleen in op het aantal biggen dat een zeug kan werpen, maar ook op het aantal spenen, geboortegewicht, uitval, beenwerk en uier van de zeug en de voerefficiëncy. Om het genetisch potentieel beter te benutten, moeten de omstandigheden waaronder een zeug haar biggen grootbrengt verder geoptimaliseerd worden. Alles vanaf het moment van spenen van de voorgaande worp tot het spenen van de volgende worp moet kloppen.

Om het genetisch potentieel beter te benutten, moeten de omstandigheden waaronder een zeug haar biggen grootbrengt verder worden geoptimaliseerd. - Foto: Henk Riswick
Om het genetisch potentieel beter te benutten, moeten de omstandigheden waaronder een zeug haar biggen grootbrengt verder worden geoptimaliseerd. - Foto: Henk Riswick

Met uitval veel te winnen

Zeugen mogen dan genetisch in staat zijn om meer biggen groot te brengen, in de praktijk worstelt de sector met een hoog uitvalcijfer. Gemiddeld is dat 13%. Met meer focus op het verlagen van de uitval is al een hele stap te maken. Al is dat volgens Geert van der Peet, onderzoeker bij Wageningen UR en betrokken bij de POV-begeleidingscommissie Bigvitaliteit nog lastig: “Er is al veel variatie tussen bedrijven en die verschillen moeten het mogelijk maken verbeteringen te realiseren. Door de focus binnen je bedrijf op uitval en bigvitaliteit te leggen kan je als zeugenhouder nog veel winnen om zo tot meer geleverde varkens te komen.”

Lees ook: POV lanceert bigvitaliteitsindex

Zeug zelf optimaal verzorgen

Ook de POV beaamt dat de eerste slag naar meer grootgebrachte biggen per zeug bij het verlagen van de uitval ligt. Grote vraag is: wat doen de bedrijven die nu al op 35 biggen zitten anders dan hun collega’s die met moeite aan de 29 komen?

Niet alleen de uitval van biggen verdient veel aandacht, ook de zeug zelf moet optimaal worden verzorgd, willen varkenshouders naar meer biggen per zeug komen. Richtlijn is dat een zeug maximaal 10% van haar gewicht mag verliezen in het kraamhok. “Dat betekent dat alles rond die zeug moet kloppen”, stelt Van Oort, “De afgelopen jaren zijn zeugen magerder geworden, dus hebben ze minder eigen reserve. Daar moet meer met voer op gestuurd worden om tot een topproductie te komen.”

Mens beperkende factor

Genetisch gezien zijn 40 biggen dus mogelijk. Onder varkenshouders lijkt een scheiding op te treden: de ene helft is tevreden met de huidige productie of wenst slechts een lichte stijging daarvan en wil daarin optimaliseren. De andere helft zoekt de mogelijkheden om te groeien vooral in extra productie. Waar het beste rendement ligt, verschilt uiteindelijk per bedrijf. In het geheel is arbeid de beperkende factor. Personeel is lastig te vinden en goed personeel heeft zijn prijs. De bedrijven die goed personeel hebben en mensen hun verantwoordelijkheid durven te geven, behalen over het algemeen goede resultaten.

Niet iedereen kan goed met een hoogproductieve zeug werken

POV-voorzitter Linda Janssen

Planmatiger werken

Volgens Van der Peet is arbeid voor de grote bedrijven het minste probleem: “Zij kunnen gemakkelijker personeel werven en een opleidingstraject bieden. Ook voor de kleinere bedrijven is het rondzetten van de arbeid minder moeilijk door inzet van gezinsleden op piekmomenten. De tussengroep met eigen arbeid en een paar medewerkers zijn veel lastiger te managen.” Door planmatiger te werken, meer aandacht tijdens het werpmoment en het werpmoment zoveel mogelijk overdag te proberen te plannen, zijn er nog stappen te maken. Volgens POV-voorzitter Linda Janssen moeten varkenshouders beter nadenken over hun bedrijfsstructuur, arbeidsinzet en managementstijl en daarbij beoordelen welke genetica daarbij het beste past. “Niet iedereen kan goed met een hoogproductieve zeug werken.”

Als de uitval bij 30 biggen al te hoog is, dan verwacht men dat de uitval bij 40 biggen alleen maar stijgt

Jean-Marie van Oort, directeur van Topigs Norsvin Nederland

Ethisch discutabel

Omdat de varkenshouderij onder een publiek vergrootglas ligt, moet daar op het gebied van het aantal biggen ook rekening mee gehouden worden. Daarom ligt er een discussie over het aantal grootgebrachte biggen op de loer. Het publiek ziet het volgens Van Oort in elk geval niet zitten: “Als de uitval bij 30 biggen met 13% al te hoog is, dan verwacht men dat de uitval bij 40 biggen alleen maar stijgt. Daar moeten we ons sterk bewust van zijn.” De ethische discussie houdt ook de POV bezig. Janssen: “Markt en ethische discussies gaan op dit thema niet samen. Elke big meer brengt nog steeds geld op, terwijl ehtische discussies zich bijvoorbeeld richten op hoeveel biggen een zeug mag werpen. Zolang de markt niet meer gaat betalen voor dit soort wensen blijft dit een ingewikkelde discussie.”

Laatste reacties

  • massy

    Moeten we dit willen als sector ?

  • john***

    wat wordt de toegevoegde waar per extra big als daarmee het geboortegewicht en daarmee samenhangend de vleesvarkensprestaties dalen? In Nederland zijn we heel goed in eilandrekenen, tot de eigen staldeur en niet verder. De gemiddelde groei van de gespeende biggen is de afgelopen jaren bijna 10% gezakt en dat met stijgende producties kan dat niet anders dan een flinke druk op de biggenstal geven.

  • Elkaar de ogen uitsteken met 35 gespeende biggen gebeurt (te) veel Aantal goed verkochte biggen en saldo’s zijn toch veel belangrijker Krokodillen tranen over de uitval in de kraamstal maar vooral nog meer biggen geboren laten worden Is niet uit te leggen

  • Leslie

    Moeten we niet willen.

  • GOETSTOUWERS@HETNET.NL

    Prachtig verhaal. Klopt alleen als de kostprijs per big hetzelfde blijft als de produktie stijgt. Laat anders die extra big lekker uit je hoofd en houd de zaak simpel.

  • KFB

    Elke big extra levert geld op , kwaliteit is nl. helaas geen item zo lijkt het...

  • Joortje

    Geen een woord over het welzijn van de dieren? Voor wie van u zijn het nog levende zielen?

  • varken23

    Iets minder zeugen en hetzelfde aantal biggen. Hoef je niet bij te bouwen, ideaal. En zonder al te veel poespas. Dus zonder biggenpapjes en melkpoeders, niet teveel marketing aan het doel 40 biggen per zeug plakken, dat Is weggegooid geld. Vakmanschap en de zeug het werk laten doen.

  • Leonir

    Zo zeg, dit schiet mij echt in het verkeerde keelgat zeg! 40 biggen, 40? Halloooooooo jullie werken toch met dieren? Het zijn dieren, geen machines! Als een machine oververhit raakt mag deze op de pauzestand, een zeug wordt mechanisch verkracht om vervolgens 40 nakomelingen te werpen om vervolgens weer verkracht te worden. Wanneer is het I. Nederland zo fout gegaan?
    Dit heeft niks meer met een boerderij, boeren leven of dierenliefde te maken, liefde voor dieren is op dit punt ver te zoeken.

  • Ellis de Wal

    Afrikaanse varkenspest op de loer. Als zwaard van Damocles. Zullen we ff dimmen. En bij het publiek liggen jullie op het moment niet zo goed. In Nederland dan. Gokken op export? En zijn er ook nog boeren die hier helemaal niet zo achter staan?

Laad alle reacties (6)

Of registreer je om te kunnen reageren.