Strengere regels gebruik ratten- en muizengif leiden niet tot minder gif bij wilde dieren

Door de aangescherpte regels voor het gebruik van gif tegen ratten en muizen worden alternatieven ingezet, zoals afschot. Foto: Mark Pasveer
De strengere regels voor het gebruik van rodenticiden tegen ratten en muizen leiden er niet toe dat er minder doorvergiftiging plaatsvindt bij wilde dieren. Dat blijkt uit onderzoek van Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), vakgroep toxicologie van WUR, en Dutch Wildlife Health Centre (DWHC).
Bij het onderzoek werd bij alle dertien onderzochte vossen en bij bijna alle 218 steenmarters resten van ratten- en muizengif gevonden. Bij 84% van de 86 onderzochte egels is één of meer van de gifstoffen gevonden, en bij de onderzochte roofvogelsoorten varieerde dit van 58 tot 100%. “Vergeleken met het onderzoek uit 2019 is de mate van doorvergiftiging niet verminderd. Bovendien zijn de concentraties niet blijvend gedaald tussen 2020–2022 en 2024–2025”, concluderen de onderzoekers.
Voorschriften
Sinds 2023 gelden voorschriften voor ongediertebestrijding en het gebruik van ratten- en muizengif in gebouwen om ratten en muizen te bestrijden. Plaagdierbeheersers moeten zijn opgeleid en hun bedrijf moet gecertificeerd zijn. Doel van de regels is onder meer vermindering van (door)vergiftiging van mens en dier en het voorkomen van resistentie. Ratten- en muizengift mag alleen door professionele plaagdierbestrijders worden toegepast, als is gebleken dat het plaatsen van klemmen en vallen onvoldoende effectief was.
Platteland en stedelijk gebied
Om te kijken of deze maatregel effectief is, werd dit onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). De onderzoekers concluderen dat de aangescherpte regels voor IPM niet hebben geleid tot een verminderde doorvergiftiging van de onderzochte soorten. Dit geldt zowel op het platteland als in stedelijk gebied. “Om doorvergiftiging te verminderen is betere implementatie en/of aanscherping van beleid noodzakelijk”, aldus de onderzoekers. Daarnaast is het voortzetten van de monitoring essentieel om toekomstige trends in blootstelling vast te kunnen stellen.








