Kalf bij de koe vraagt eerst meer kennis en draagvlak in de keten
2040 wordt als streefjaar genoemd om kalveren bij de koe te houden. Maar niet direct als verplichting. Kalf bij de koe kan op een klein aantal bedrijven. Voor de rest van de bedrijven zijn er meer vragen dan antwoorden. Onderzoek levert kennis op, ketenpartijen moeten meewerken in het economische verhaal.

Voor de consument is het kalf bij de koe een ideaal plaatje. Voor veehouders levert het hoofdbrekens op in huisvesting, gezondheid en bedrijfseconomie. Voor 2040 als streefjaar om meer kalveren bij de koe te houden is nog veel onderzoek nodig. Foto: Mark Pasveer
Lees in dit artikel over kalf bij de koe
- Geen kwestie van opleggen
- Haalbare systemen onderzoeken
- Wat te doen met stierkalveren?
Met het Convenant Dierwaardige Veehouderij en de daarbij voor de veehouderij horende Routekaart komt het kalf bij de koe (KBK) nadrukkelijker op de agenda. Er wordt al jaren gediscussieerd over of en hoe de melkveehouderij om moet gaan met de natuurlijke behoefte van koe en kalf. Nu zijn er in de Routekaart jaartallen opgenomen, te weten 2035 als indicatiejaar om KBK op te nemen in duurzaamheidsprogramma’s en zuivelkwaliteitssystemen. 2040 wordt genoemd als richtjaar dat kalveren langer bij de koe kunnen blijven. Die jaartallen zijn volgens ZuivelNL niet in beton gegoten, maar een richting waar naartoe gewerkt kan worden, stelt woordvoerder Pien Jongenelen: “Het is nadrukkelijk geen kwestie van opleggen, maar van samen ontdekken welke vormen van KBK in de melkveehouderij haalbaar zijn.”
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









