Artikelen van Cees Van Bruchem

(1950) is in 1978 dienst getreden bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI, onderdeel van Wageningen UR) in Den Haag, nadat hij een aantal jaren gewerkt had bij het Landbouwschap. In september 2010 ging hij met pensioen. Van Bruchem was bij het LEI vooral betrokken bij de samenstelling van de jaarlijkse publicatie Landbouw Economisch Bericht (LEB) en bij het opstellen van (andere) publicaties op het gebied van landbouweconomie en -politiek. Hij schroomde daarbij niet om van tijd tot tijd meningen naar buiten te brengen, die niet geheel spoorden met de officiële standpunten. Van Bruchem heeft diverse functies gehad in de politiek (eerst RPF, later ChristenUnie), onder meer als wethouder van Zaltbommel en lid van de Eerste Kamer. Tegenwoordig bekleedt hij enkele nevenfuncties in de hervormde gemeente Bruchem en in de zorgsector.

Grondgebondenheid

Schrikbarend

Averij

Topsector

Beperkt houdbaar

Hoge prijzen?
De beste 25 procent
PremiumBij beschouwingen over problemen die op de agrarische sector afkomen, verneem je nogal eens de opvatting, dat het allemaal wel goed komt als je maar zorgt dat je het beter doet en efficiënter produceert dan gemiddeld.Zoals een veehouder ooit in deze krant verklaarde: "Je moet zorgen dat je bij de beste 25 procent zit". Dat kan echter nooit een oplossing opleveren voor de hele sector, want per definitie komt driekwart van de agrariërs niet bij de beste 25 procent, hoe goed ze ook hun best doen.Bovendien: iets wat goed is voor een individuele boer, is niet zonder meer ook goed voor het geheel. Wel als het gaat om besparen op productiemiddelen; dat is bijna altijd gunstig. De oplossing wordt echter vaak gezocht in verhoging van de productie per hectare, per dier of per arbeidskracht, met als argument dat er op deze punten een grote afstand is zijn tussen gemiddelde en koplopers.Maar dat is te simpel gedacht. Als, bijvoorbeeld, de gemiddelde aardappelopbrengst zou stijgen naar het niveau van de beste 25 procent, zou naar mijn schatting de totale productie bij een gelijkblijvend areaal met 15 à 20 procent toenemen. En als de gemiddelde groei per dag van slachtkuikens zou stijgen naar die van de beste 25 procent, zou er een procent of 10 pluimveevlees bij komen. Zou de financiële positie van de gemiddelde akkerbouwer of kuikenhouder dan echt verbeteren?Bedrijven met 150 koeien draaien in doorsnee beter dan bedrijven met 80 koeien. Maar dat betekent niet dat een verdubbeling van de bedrijfsomvang een reëel perspectief is voor het gros van de melkveehouders, al was het maar omdat het vanwege mestafzet, grond en ruwvoer niet mogelijk is om in dit land een kleine 3 miljoen melkkoeien te houden. Bovendien zou een verdubbeling van de Nederlandse melkplas nadelig zijn voor de melkprijs.De ‘koploperbenadering’, die suggereert dat alles beter wordt als iedereen maar flink zijn best gaat doen, houdt onvoldoende rekening met beperkingen aan de aanbod- en de afzetkant. En de ondertoon van deze benadering - 'boeren die het niet redden, zijn geen goede ondernemers' - is daarom op zijn minst ongenuanceerd.

Snavelkappen

Pacht

Duurzame melkveehouderij

Dode bijen
