PluimveeAchtergrond

‘We hebben maar twee poepjes waar vogelgriepvirus in zat’

De vogelgriep lijkt onder controle, al blijft er reële kans op nieuwe uitbraken, aldus Arjan Stegeman, veterinair adviseur van de overheid. Tijd om terug en vooruit te kijken. Pluimvee in waterrijk gebied houdt een risico in. Maar de grote concentraties in delen van het land zijn dat ook. De Utrechtse hoogleraar toont zich optimistisch over de mogelijkheden om gevaren van ziektes in toom te houden via stringente hygiënemaatregelen.

Je hoort niet zo veel van hem, maar achter schermen is Arjan Stegeman als voorzitter van de Deskundigengroepen Dierziekten een belangrijke adviseur voor de overheid bij de bestrijding van vogelgriep. Hij geeft veterinaire adviezen, waarna beleidsmakers de afweging moeten maken tussen de veterinaire, economische en maatschappelijke belangen. Zijn adviezen zijn ‘tot nu toe aardig opgevolgd’, verklaart de Utrechtse hoogleraar. “Een gelukkige omstandigheid was dat de besmettingen in pluimveearm gebied zijn vastgesteld. Wat dan van het grootste belang is, is dat versleping naar pluimveedichte gebieden voorkomen wordt. Daar waren de maatregelen op gericht.”

 

Is het beleid succesvol geweest?

“Op het punt van voorkoming van verspreiding zeker. Maar je moet niet raar opkijken als het nog eens gebeurt. Het is verstandig dat het waterrijke gebied A losgemaakt is van de rest. Uit veterinair oogpunt was het verstandig geweest om gebied A uit te breiden met de waterrijke gebieden in het Noorden. Daar zijn ook veel watervogels. In die zin is een risico genomen. Maar die afweging maak ik niet, die is aan de beleidsmakers.”

 

Staat nu wel vast dat er verschillende besmettingen zijn geweest die los staan van elkaar?

“Onderzoek naar de erfelijke samenstelling van de virussen wijst uit dat er zoveel verschil is tussen de gevonden virussen, dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de bedrijven elkaar onderling hebben besmet. De verschillen tussen de virussen die nu zijn gevonden, zijn al bijna net zo groot als die tussen de virussen die we in 2003 aan het begin en aan het eind van de epidemie hebben gevonden. Alleen de beide besmettingen in Kamperveen zijn heel nauw aan elkaar verwant.”

 

Waar komt het virus vandaan?

“De virussen die in Nederland, Duitsland en Engeland zijn gevonden, lijken het meest op virussen die in november in Japan zijn aangetroffen. Eerder zijn in mei in China, in maart in Japan en vanaf januari in Korea H5N8-virussen gevonden. Vermoedelijk is het ontstaan in Korea, niet zo heel veel eerder. In broedgebieden in Siberië is het H5N8-virus mogelijk uitgewisseld tussen vogels afkomstig uit het Verre Oosten en Europa.”

 

Is hoogpathogene vogelgriep nu endemisch in Nederland?

“Dat kun je nog niet zeggen. Daarvoor weten we te weinig van het voorkomen van het virus in wilde watervogels. We hebben nog steeds niet meer dan twee poepjes van smienten waar het in zat.”

 

Is het zeker dat de ziekte via wilde vogels is verspreid?

“Nee ook dat is nog steeds niet zeker. Op grond van de nu beschikbare informatie is het wel de meest aannemelijke besmettingsroute, maar keihard bewijs ontbreekt. Voor de rechter zou het verhaal niet overeind blijven. Een aantal zaken duiden wel die kant op: de vondst van het virus in wilde vogels, de besmette bedrijven in waterrijke gebieden en de verschillen tussen de virussen die duiden op onafhankelijke introducties. Wat er tegen spreekt is dat het binnen gehouden dieren zijn. Daarbij zijn de vondsten in het wild gedaan nádat in de houderij vogelgriep was gevonden. Daarvoor niet, ook al wordt er al jaren intensief gemonitord op wilde vogels. Wat is oorzaak en wat gevolg? Daar is nog geen zekerheid over. Ook is er geen informatie over het voorkomen van het virus in de broedgebieden van de trekvogels.”

 

Wat is de meest waarschijnlijke route van buiten naar de stal?

“Het virus wordt uitgescheiden met mest en via de keel. Die laatste route is waarschijnlijk omdat de wilde dieren er niet ziek van zijn. De vermenigvuldiging via de darmen is het belangrijkst. Het kan zijn dat vogelpoep met schoeisel mee de stal in is gekomen vanaf het erf. Ongedierte zou ook kunnen, ook dan waarschijnlijk op mechanische wijze, door bijvoorbeeld vogelmest onder de poten of aan de haren. Ratten en muizen zijn zelf eigenlijk geen vector voor de ziekte.”

 

En via de lucht?

“Die route is onwaarschijnlijk en is alleen een belangrijke factor wanneer de ziekte in een stal vol kippen zit. Dan kan met mechanische ventilatie het virus naar buiten geblazen worden en elders binnenwaaien. In 2003 was ongeveer 20 procent van de besmettingen daar aan toe te schrijven. Besmetting op deze manier vanuit het wild is vrijwel uitgesloten vanwege de lage aantallen besmette dieren.

Wel is geopperd dat de besmetting mogelijk is gegaan via eenden op het dak van stallen. Er is sprake van dat op en rondom besmette bedrijven watervogels aanwezig waren. Een besmette eend zou op het dak bij de inlaat van de ventilatie kunnen hebben gepoept. Dat is een mogelijkheid. Ik wil niet de schuld in de schoenen van de getroffen veehouders schuiven, want deze optie maakt duidelijk dat het nog mis kan gaan, ook als je je zelf goed aan de hygiëne regels houdt. Je hebt maar heel weinig virus nodig voor een besmetting. Een gram ontlasting kan wel een miljard virussen bevatten en om een kip te besmetten zijn maar 1.000 virussen nodig. In theorie kan een milligram vogelpoep dus al volstaan. Dit betekent dat pluimveehouders goed moeten nadenken hoe het virus hun eigen stal zou kunnen binnenkomen en die insleepmogelijkheden moeten doorbreken met goede hygiënische maatregelen.”

 

De discussie over de toekomst van de pluimveehouderij begint al. Sommigen zeggen: je moet geen pluimvee houden in waterrijk gebied, vanwege het besmettingsgevaar.

“Voor conclusies is het te vroeg, er is nog te veel onduidelijk. Je kunt wel stellen dat een combinatie van buiten uitloop en waterrijke omgeving voor vogelgriep ongelukkig is. Maar of je dat moet reguleren is een politieke afweging waarbij je ook maatschappelijke wensen zoals dierenwelzijn moet meenemen. Maar er is wel meer ongewenst in Nederland uit veterinair oogpunt. Zo zijn er in de Gelderse Vallei en in het Zuidoosten enorme concentraties pluimvee. Dat is een risicovolle situatie die vanuit veterinair oogpunt onwenselijk is. Als vogelgriep daar nog een keer uitbreekt, is de kans op een grote epidemie enorm. Vanuit veterinair oogpunt zou je de pluimveehouderij moeten spreiden over Nederland.”

 

Laagpathogene varianten van vogelgriep worden de laatste jaren steeds vaker gevonden. Is een systeem van stamping-out en drastische maatregelen houdbaar in een situatie waarin de ziekte vaker opduikt?

“Er zijn 16 H-varianten van vogelgriep. We ruimen nu bij uitbraken van H5 en H7. Als je die hun gang laat gaan, ontwikkelen ze zich tot hoogpathogene varianten. Dat kun je niet op zijn beloop laten, omdat de impact te groot is.”

 

Is vaccinatie een optie?

“Nee, momenteel niet. We weten niet hoe effectief de huidige vaccins tegen H5N8 zijn. Los daarvan is er nog geen goede methode om een eventueel vaccin effectief toe te dienen aan grote aantallen dieren en duurt het weken voor de dieren immuun zijn na een vaccinatie. Preventieve vaccinatie aan het begin van het seizoen heeft geen zin, want het is tot nu toe onmogelijk om te voorspellen welke griepvarianten op komst zijn. In de humane gezondheidszorg kan dat wel, dankzij uitgebreide wereldwijde monitoringssystemen. Er wordt wel hard gewerkt aan vogelgriepvaccins die massaal kunnen worden toegepast en een brede bescherming geven, dus wellicht wordt het in de toekomst wel een optie.”

 

Zijn er vanwege de vogelgriep nu redenen om vraagtekens te zetten bij het gemengde bedrijf?

“Dat risico van uitwisseling tussen soorten vee is in onze houderij vooral theoretisch. Bij varkens komt een virusvariant voor die zich kan mengen met de vogelvariant, waardoor een voor mensen gevaarlijk nieuw virus zou kunnen ontstaan. Maar met de huidige maatregelen is de kans dat dit gebeurt heel klein. We zijn gewoon heel alert. Dat blijkt ook al uit het feit dat op alle bedrijven waar de hoogpathogene variant is gevonden, meerdere stallen waren, maar het virus steeds in maar één stal is gevonden.”

 

Is er toenemend ziektegevaar uit de wilde natuur? Denk aan varkenspest, Afrikaanse varkenspest en tbc bij runderen.

“Dat kun je in zijn algemeenheid niet zeggen. Je moet het per ziekte bekijken. De varkenspest zat jarenlang bij wilde zwijnen in Duitsland. Maar door die dieren te vaccineren is het probleem veel kleiner geworden. De Afrikaanse varkenspest is vanuit Georgië via Rusland westwaarts gegaan. Wilde varkens spelen daarin een rol, maar niet als enige. Het is niet eens zeker of deze ziekte puur in een populatie wilde varkens wel kan overleven. De backyard farming is een grotere risicofactor, van daaruit is er een constante wisselwerking met de wilde populatie. Zo is uitloop inderdaad wel een risicofactor als daardoor contact met wild kan ontstaan. Dat kun je ook zeggen van urban farming en andere kleinschalige nieuwe trends waar het varken meer in contact komt met andere dieren uit de omgeving. Maar ik ben redelijk optimistisch. Ik verwacht niet dat morgen het eerste wilde varken met Afrikaanse varkenspest voor de grens staat, want in Duitsland is men ook heel alert. Het insleeprisico via mensen is groter. Een factor is vreemde arbeid. Er werken nogal wat mensen uit Oost-Europa in de varkenshouderij, die zouden het virus met etenswaren of andere contacten binnen kunnen brengen. Die riscio’s zijn momenteel groter dan die van wilde varkens. Ook hier is goede hygiëne de oplossing.”

 

Is er speciaal beleid nodig voor gevaren uit het wild?

“Beleidsmakers zouden deze risico’s wel mee moeten wegen en hebben er ook aandacht voor. Interactie van dierziekte- en natuurbeleid is nodig. Dan zou je in verband met varkenspest inderdaad kunnen denken aan vaccinatie van wilde varkens als er dreiging is. En bij een uitbraak op de Veluwe moet je het gebied met wilde varkens gaan compartimenteren om te bevorderen dat het virus uitsterft. Maar je moet het per ziekte bekijken. Tegen Afrikaanse varkenspest is geen vaccin beschikbaar. Tbc is een ziekte die zich langzaam verspreidt en waarvan de diagnose moeilijk te stellen is.”

 

Is ruimen van besmet wild een serieuze optie?

“Dat brengt nieuwe risico’s mee. In Duitsland dacht men eerst de varkenspest onder zwijnen te bestrijden door de populatie te verdunnen via de jacht. Maar dat werkte averechts, want de onrust die dat teweegbracht, zorgde juist voor verdere verspreiding. Dat kan ook gebeuren als je wilde vogels gaat bejagen om die reden.”

 

De sector heeft het over biosecurity, risico’s indammen door nog striktere hygiëne. Redden we het daar mee?

“Dat is in feite wat nu gebeurt. Het kan ook. Het bewijs is geleverd in Thailand. Daar was in 2003 en 2004 een enorme H5N1 vogelgriepepidemie. De categorie bedrijven die de hygiëne echt goed voorelkaar had, is helemaal ziektevrij gebleven, zelfs in die omgeving met grote ziektedruk.”

 

Critici zeggen dan weer: je moet die kip niet helemaal afsluiten van de buitenwereld, dan krijg je laboratoriumkippen.

“Dat is dan weer een afweging die naast dierziekteaspecten veel maatschappelijke kanten heeft. Maar je weet dat kippen en kalkoenen gevoelig zijn voor vogelgriep, ook de hobbymatig gehouden dieren. Het is wel gelukt kippen resistent te maken tegen vogelgriep, maar daar is genetische modificatie voor nodig. Daar is ook veel maatschappelijke weerstand tegen. Het enige alternatief is dan om ziektes voor lief te nemen. Maar dat is voor vogelgriep geen serieuze optie gezien de impact, de reactie vanuit het buitenland daarop en omdat we ons via internationale afspraken hebben gebonden om de ziekte te bestrijden.”

Beheer
WP Admin