Rundveehouderij

Nieuws

Nauwelijks overdracht zoönoses vleesvee op veehouder

De meest voorkomende zoönoseverwekkers op vleesveebedrijven zijn campylobacter en STEC. De prevalentie onder de veestapel betekent echter niet dat de bacteriën ook veelvuldig bij de vleesveehouders worden aangetoond.

Dit blijkt uit een prevalentie-onderzoek van het RIVM in opdracht van de NVWA op 196 vleesveebedrijven in 2017, waarvan de uitkomsten afgelopen week in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde zijn gepubliceerd.

Campylobacter

In het onderzoek is gekeken naar campylobacter, ESBL-producerende e.coli, salmonella, SREC en cryptosporidium. Campylobacter werd in de mestmonsters van 165 van de 193 gecontroleerde bedrijven aangetroffen. Onder de veehouders zelf werd deze bacterie maar bij 2 van de 129 geteste personen aangetroffen, een prevalentie van 1,2%. Opvallend daarbij was dat de aangetroffen bacterie niet onder de veestapel is aangetroffen. Een van de veehouders droeg type c.Iari bij zich, dat voornamelijk wordt aangetroffen bij watervogels en schelpdieren.

STEC en e.coli

STEC werd op 24,9% van de bedrijven aangetroffen en maar bij 1 veehouder. De prevalentie van ESBL-producerende e.coli onder de veestapel was met 28 bedrijven 14,6%. Bij 9 veehouders werd deze E.coli aangetroffen, niet meer dan prevalentie onder de algemene bevolking (5-10%). Op 1 bedrijf werd hetzelfde ESBL-type aangetroffen bij mens en dier. Salmonella werd op 7 vleesveebedrijven aangetroffen terwijl de bacterie onder de veehouders niet werd aangetroffen.

Cryptosporidium

In geen enkel mestmonster is cryptosporidium aangetroffen. Een van de veehouders werd wel positief getest op crypto. Deze bacterie kan via water en voedsel overgedragen worden. Daarnaast gaf de veehouder aan naast contact met zijn vleesvee ook regelmatig in contact te komen met vleeskalveren en schapen.

Of registreer je om te kunnen reageren.