Home

Achtergrond 3 reacties

Fosfaat- en mestrechten, interimwet en andere historie

De eerste begrenzing aan de veestapel kwam in 1984. Dierrechten gelden al sinds 1987 voor rundvee, varkens en kippen. Een overzicht van hoe het mestbeleid zich ontwikkelde.

In april 1984 stelde de EU het melkquotum in, de eerste begrenzing voor melkveehouders.

Op 2 november 1984 kondigde minister Gerrit Braks de interimwet intensieve veehouderij af, die direct inging. Die verbood varkens- en pluimveehouders meer dieren te houden dan op te gegeven bij de meitelling 1984.

Uitbreiding was wel toegestaan tot het aantal dieren van de verleende of al aangevraagde hinderwet. Je mocht twee vleesvarkens omwisselen naar één zeug. Aangezien een zeug veel meer inkomen biedt dan twee vleesvarkens, leidde dat tot snelle groei van de zeugenstapel en biggenproductie. Wie wel (flink) uitbreidde kreeg na een paar jaar bezoek van de AID en zat zo rond 1989 in de rechtbank.

Nederlandse varkenshouderij in  1984. - Foto: ANP
Nederlandse varkenshouderij in 1984. - Foto: ANP

Onbeperkt mest uitrijden

In die tijd was het nog toegestaan onbeperkt mest uit te rijden. Dat was ongewenst (iets met greppeltje ploegen voor mestuitrijden op maisland, enzovoorts). Om dat te begrenzen en de eutrofiëring van oppervlaktewater te stoppen, is in 1986 de Meststoffenwet afgekondigd.

Die bevatte twee zaken: begrenzing van het aantal dieren (met name gericht op de intensieve veehouderij, dus de varkens en kippen) en paal en perk stellen aan het uitrijden van mest. Ook kwam er een heffing op het produceren van meer mest dan op eigen grond en kon en moest mestafzet worden verantwoord. De wet ging in op 1 januari 1987.

Alle bedrijven moesten het aantal dieren en hectares opgeven dat ze op 31 december 1986 hadden en ook het maximale aantal dieren dat ze in dat jaar hadden. Voor het hoogste van de twee kregen ze fosfaatrechten, op basis van vaste normen.

Bovengronds mestuitrijden in 1988. - Foto: ANP
Bovengronds mestuitrijden in 1988. - Foto: ANP

Dier- en mestcodes

Toen zijn ook de dier- en mestcodes ingevoerd, in drie groepen: rundvee, varkens-pluimvee en GVNEK voor kleine diersoorten. Code 100 melkkoe met 41 kilo fosfaat; code 101 jongvee tot 1 jaar, 9 kilo fosfaat; code 102 jongvee 1-2 jaar, 18 kilo fosfaat; code 401 zeug 20,4 kilo fosfaat en code 411 vleesvarken, 7,4 kilo fosfaat. Elke hectare was goed voor een mestproductierecht van 125 kilo fosfaat dat benutbaar was voor alle diersoorten. Je mocht varkens-pluimvee wel omzetten naar rundvee, andersom niet. Nederland werd ook ingedeeld in drie mestoverschotsgebieden: Zuid, Oost en Overig.

Fosfaatrechten en grondgebonden rechten

Een bedrijf met 40 koeien en jongvee had dan circa 2.400 kilo fosfaat. Had dat bedrijf 20 hectare, dan kreeg het 0 fosfaatrechten toegewezen, maar had wel een grondgebonden productierecht van in totaal 2.500 kilo, en kon dus nog 100 kilo fosfaat meer produceren (grofweg twee koeien met wat jongvee). Had dat bedrijf 10 hectare, dan kreeg het 1.250 kilo grondgebonden productierechten plus (2.400-1.250) 1.150 kilo rundveefosfaatrechten.

Een bedrijf met 1.000 vleesvarkens, 40 koeien (2.400 kilo fosfaat zoals hierboven) en weer 20 hectare, kreeg 7.400 kilo varkensfosfaat, waarvan 100 kilo in de grond werd vastgezet en 2.500 kilo grondgebonden rechten. Dus in totaal alleen 7.300 kilo varkensfosfaat.

Het grondgebonden recht mocht je voor alles gebruiken. Dit gemengde bedrijf uit het voorbeeld kon dus de koeien wegdoen en alleen verder met varkens. Dan mocht het (7.300+2.500)/7,4 = 1.325 vleesvarkens of een dikke 450 zeugen (met wat vleesvarkens en opfokzeugen) houden. Niet dat dat destijds veel gebeurde. Later werd het meer gedaan. Melkveehouders konden groeien tot 125 kilo fosfaat per hectare. Wilde je groter, dan moest je grond bijkopen (of varkens omzetten naar rundvee). Vanwege de melkquotering gebeurde dat weinig in de eerste jaren.

Uitrijnormen

Vanaf 1 januari 1987 golden ook uitrijnormen: maximaal 350 kilo fosfaat op maisland, 250 op grasland. Dat zou worden afgebouwd tot een eindnorm van circa 175 kilo in 2001. (Dit staat allemaal nog in dat grote groene boek dat veel veehouders nog wel ergens in de administratie hebben liggen.) Van stikstofnormen was nog geen sprake, die kwamen later pas met Minas. In hoog tempo zijn trouwens die uitrijnormen aangehaald, veel sneller dan afgekondigd in 1986.

1991: Vol belangstelling bekijkt een boer in Druten een primeur van de firma, Joskin, een zogenaamde zode-bemeester. Het aan een giertank gekoppelde apparaat snijdt sleuven in het land, waarin vervolgens de mest wordt gespoten. Op deze wijze ontstaat een reductie in de ammoniakuitstoot van 80%. - Foto: ANP
1991: Vol belangstelling bekijkt een boer in Druten een primeur van de firma, Joskin, een zogenaamde zode-bemeester. Het aan een giertank gekoppelde apparaat snijdt sleuven in het land, waarin vervolgens de mest wordt gespoten. Op deze wijze ontstaat een reductie in de ammoniakuitstoot van 80%. - Foto: ANP

Vanaf 1 januari 1987 moesten de veehouders de veebezetting op elke eerste van de maand registreren en (in januari van het jaar erop) aangifte overschotheffing doen bij Bureau Heffingen in Assen. Voor elke kilo fosfaat die je (op basis van gemiddelde dierbezetting) meer produceerde dan je op eigen grond kwijt kon op basis van de uitrijnormen, moest je betalen. In het traject van 125 kilo tot de eigen plaatsingsruimte (mais/grasland) gold een tarief van ƒ0,25 per kilo, daarboven ƒ0,50.

Vanaf 1 januari 1987 was mest uitrijden verboden op bevroren grond, en tussen 1 oktober en 1 februari. Later werd die geblokkeerde uitrijperiode verlengd.

Opkoop door overheid en huwelijksvermogensrecht

Handel in fosfaatrechten was niet mogelijk bij de start van de meststoffenwet in 1987. Alleen bij gedwongen verplaatsing van het bedrijf (opkoop door overheid) mocht het quotum mee. Bij opkoop van grond door de overheid kreeg de veehouder per hectare 125 kilo varkens/pluimveefosfaat (die mocht je voor alle diersoorten gebruiken, rundveefosfaat alleen voor rundvee).

De enige uitzondering: het huwelijksvermogensrecht. Trouwde je, of zette je de huwelijkse voorwaarden om in gemeenschap van goederen, dan mocht je bedrijven van de twee partners samenvoegen op één locatie. Dat leidde tot de mesthuwelijken, met name in de varkens- en pluimveehouderij. Meestal pachtte dan het meisje een heel oude, leegstaande stal, kreeg het fosfaatquotum op naam, trouwde en haalde dat quotum naar de locatie waar ze ging wonen.

Boeren protesteren in 1993 tegen het mestbeleid. - Foto: ANP
Boeren protesteren in 1993 tegen het mestbeleid. - Foto: ANP

Mestquotum verhandelen

Pas op 1 januari 1994 werd het mogelijk het mestquotum te verplaatsen en dus te verhandelen. Dat moest wel binnen de gebieden, of van Zuid en Oost naar Overig. Toen kregen alle mensen met een mestnummer een nieuwe opgave rechten: xx kilo grondgebonden rundveefosfaat, xx kilo grondgebonden varkensfosfaat en xx kilo niet-grondgebonden rechten. De niet-grondgebonden rechten kon je verhandelen.

Natuurlijk was de grootste handel in varkensfosfaat, maar er was ook best veel handel in rundveefosfaat. Gemengde bedrijven kochten die, om er via de grondgebonden productierechten varkens voor te houden (meestal: de al aanwezige varkens te legaliseren). Dus rundvee produceren op basis van niet-grondgebonden fosfaatrechten, varkens houden op basis van de vrijkomende ruimte in de grondgebonden rechten. Rundveefosfaat kostte namelijk minder dan de helft van varkensfosfaat.

Wie in koeien wilde groeien kon vanaf dat moment dus extra grond onder zijn bedrijf schuiven, of rundveerechten bijkopen.

1995: Boerenactieleider Wien van den Brink maant zijn collega's tot kalmte als in de hal van het ministerie van VROM een rookbom wordt ontstoken. Zo'n 200 boeren demonstreerden in Den Haag voor een beter mestbeleid. - Foto: ANP
1995: Boerenactieleider Wien van den Brink maant zijn collega's tot kalmte als in de hal van het ministerie van VROM een rookbom wordt ontstoken. Zo'n 200 boeren demonstreerden in Den Haag voor een beter mestbeleid. - Foto: ANP

Varkens- en pluimveerechten direct verhandelbaar

In 1997 kwam de varkenspest. Toenmalig landbouwminister Jozias van Aartsen wilde de stapel krimpen en voerde daarvoor de varkensrechten in, op basis van de hoogst gemiddelde bezetting in 1995 en 1996. Dat was direct een streep door latente productie. De varkensrechten waren direct verhandelbaar. Even later volgden pluimveerechten. De grondgebonden productieruimte van 125 kilo per hectare kon je niet meer gebruiken voor extra varkens of kippen, wel voor extra koeien.

Bij het afschaffen van Minas (1 januari 2006) zijn de rundveefosfaatrechten ingetrokken. De melkquotering zou voldoende begrenzing zijn om excessieve groei van de melkveehouderij te voorkomen. Dier- of fosfaatrechten waren niet meer nodig.

Vervallen melkquotum

Op 1 april 2015 verviel het melkquotum. In de aanloop ernaartoe groeiden de bedrijven, wat leidde tot de AMVB grondgebonden groei; de beruchte brief van 2 juli 2015 waarin een stelsel van fosfaatrechten is aangekondigd per 2017. De EU schiet dat wegens staatssteun af, het wordt nu 2018 wanneer dat stelsel start. In de tussentijd werken we via het Fosfaatreductieplan 2017 met verschillende teldata.

Lees meer over de huidige fosfaatrechten en het fosfaatreductieplan in het dossier

Laatste reacties

  • John74

    Best knap dat er na 33 jaar boertje PEST er nog steeds boeren zijn. Best een hardnekig volkje toch, al zeg ik het zelf.

  • jfvanbruchem1

    In1984 waren er veel meer koeien dan nu, is dit juist?
    Nu zijn er fosfaatrechten omdat er teveel koeien zijn.
    Kan Boerderij hier geen aandacht aan schenken.

  • ghsmale

    Tot april 2015 waren de regels nog enigszins te verklaren,
    nu is de logica zoek
    en is de politiek doorgedraaid met de regel zucht

Of registreer je om te kunnen reageren.