Rundveehouderij

Achtergrond 1 reactie

Oppassen voor boterzuur

Bij het voeren van ingekuilde voedermiddelen is er altijd kans op aanwezigheid van boterzuursporen. Niet alleen gras, maar ook mais en bijproducten kunnen de melkkwaliteit bederven.

Eurofins Agro meldt in een expertise-artikel dat er dit jaar veel boterzuurproblemen gemeld zijn. De boterzuursporen komen via het voer in de mest terecht en vervolgens op de spenen van koeien, waarna ze tijdens het melkproces in de melk komen. Eurofins zegt dat zuivelverwerkers de laatste maanden steeds vaker laten weten dat zij een negatieve invloed van boterzuursporen op de productieprocessen constateren. Volgens Arjan Bom, marketing- en communicatiemanager bij Qlip in Zutphen, is er echter nog geen sprake van een verhoging van het aantal melkmonsters boerderijmelk dat dubbel positief test voor boterzuur. “Wij zien tot op heden over de afgelopen maanden nog geen andere waarden dan vorig jaar.” Wel is het najaar, als de koeien op stal gaan en er meer kuilvoer wordt gevoerd, volgens hem een gevoelige periode waarbij het percentage afwijkende monsters op boterzuur kan stijgen.

Geen verband tussen boterzuursporen en boterzuurgehalte

Eurofins Agro stelt dat bij diverse kuilproducten er geen verband is tussen het aantal boterzuursporen en het boterzuurgehalte. Er kunnen heel veel sporen zitten in een product met weinig boterzuur en er kunnen heel weinig sporen zitten in een kuil met een verhoogd boterzuurgehalte.

Natte, eiwitrijke kuilen met een hoog ruw-asgehalte (anorganische stof, vaak vervuiling met grond) zijn daarmee typische risicokuilen. Maar ook voorjaarskuilen met een drogestofgehalte onder de 40% kunnen veel boterzuur vormen, met name als het lang duurt voordat de zuurgraad (pH) is gedaald.

Maiskuil meest voorkomende besmettingsbron

Het laboratorium geeft aan dat de maiskuil, tegen de verwachtingen in, de meest voorkomende besmettingsbron is op een bedrijf. Omdat het product sterk en snel verzuurt, wordt mais niet vaak gezien als een risicofactor. Een zurenanalyse laat ook zelden tot nooit een hoog boterzuurgehalte zien. Echter, in onderzoek is aangetoond dat de boterzuurafwijkingen in de melk wel in ruim 60% van de gevallen uit de mais afkomstig zijn. In die gevallen gaat het om kuilen met zichtbare broei- of schimmelplekken.

Als aan het snijvlak weer zuurstof intreedt, dan kunnen diverse zuurstofminnende microben melkzuur afbreken. Hierdoor stijgt de pH. Mais heeft meestal een drogestofgehalte onder de 40%. Op deze plek krijg je weer de combinatie van een hoge pH met een laag drogestofgehalte en dat betekent meer risico, zo waarschuwt Eurofins Agro.

Advies

Eurofins adviseert vooral schoon te werken bij de opslag van aangevoerde bijproducten. Een eiwitrijk, nat bijproduct zoals bierbostel kan een bron van boterzuur zijn als het op een vuile ondergrond opgeslagen is. Het product heeft veel vocht en door het hoge eiwitgehalte een relatief hoge zuurgraad. Als dit dan in contact komt met vuil of grond, dan gaat het fout.

Eén reactie

Of registreer je om te kunnen reageren.