Home

Achtergrond

Veevoersector sterk importafhankelijk

Nieuwe cijfers van de Europese Commissie tonen volgens de veevoerindustrie aan dat de import van eiwitrijke coproducten noodzaak is. De EU importeert niet alleen een gigantisch volume, de producten hebben een hoog eiwitgehalte en laten zich niet door lokale productie vervangen.

De veevoerindustrie in de EU moet het overgrote deel van de eiwitrijke coproducten die het gebruikt, importeren. Van de bijna 26 miljoen ton ruwe eiwitten die de sector in het seizoen 2015-2016 als coproduct importeerde, was slechts 38% uit de EU afkomstig. Dat blijkt uit een studie die de Europese Commissie over de eiwithuishouding van de veevoerindustrie publiceert.

De commissie maakt onderscheid tussen het gebruik van gewassen en coproducten in veevoer. Op het gebied van gewassen is de EU goeddeels zelfvoorzienend. Van de 179 miljoen ton die de veevoerindustrie gebruikte, was ruim 162 miljoen ton uit de EU zelf afkomstig. De meest gebruikte voergewassen zijn gewone tarwe, mais en gerst. Teruggerekend naar puur eiwit, komt de veevoerindustrie in 2015-2016 op een zelfvoorzieningsgraad van 92%.

Hoe meer eiwit, hoe meer import

Als we kijken naar coproducten, ontstaat een heel ander beeld. Coproducten worden toegepast vanwege hun hoge eiwitgehalte. Bij granen is het eiwitgehalte circa 10%. Bij coproducten ligt het eiwitgehalte een stuk hoger. Gemiddeld is sojameel dat wordt geïmporteerd goed voor 47% eiwit en in de EU geproduceerd sojameel is goed voor 44% eiwit.

Raapzaadmeel is zowel binnen als buiten de EU gemiddeld goed voor 33%. Bij zonnebloemmeel is het verschil erg groot. Het percentage eiwit ligt bij de teelt in de EU op 28% en bij import op 35%. In de praktijk rekenen specialisten bij veevoerbedrijven voortdurend uit welke mix van grondstoffen financieel en nutritioneel het beste past.

Afhankelijkheid EU

De veevoerindustrie gebruikt jaarlijks 84 miljoen ton aan coproducten. Hier is de EU sterk afhankelijk van sojameel (31 miljoen ton), raapzaadmeel (12 miljoen ton en zonnebloemmeel (7 miljoen ton), maar ook van een enorme reeks kleinere producten als bietenpulp, palmpitmeel, citruspulp en DDG – een restproduct van de ethanolproductie.

Druk op het regenwoud

Sojameel wordt vrijwel volledig geïmporteerd uit Brazilië, Argentinië en de VS. Een heel klein volume, 1,5 miljoen ton, komt bijvoorbeeld uit het Donau-gebied, of wordt quasi-experimenteel geteeld in Noord-Europa. De productie van soja in Zuid-Amerika wordt geassocieerd met grootschalige kap van het regenwoud, soms de ‘longen van de aarde’ genoemd.

Ontbossing tegengaan

Om de ontbossing tegen te gaan, en ook bijvoorbeeld een goede omgang met inheemse volkeren te garanderen, heeft een serie ketenpartijen – waaronder de veevoerindustrie – een programma opgezet. Doel is geen soja meer uit recent ontbost gebied te kopen.

Raapzaadmeel komt wel voor het grootste deel uit de EU zelf. Zonnebloemmeel wordt voor bijna de helft geïmporteerd uit Oekraïne en andere Oost-Europese landen. Wat betreft kleinere producten is de EU voor 86% zelfvoorzienend. De afhankelijkheid is het grootst bij palmpitmeel. De 2,5 miljoen ton die jaarlijks in de EU wordt verwerkt in veevoer is geheel afkomstig uit Zuidoost-Azië.

‘Kunnen niet om import heen’

Voor een serie belangenorganisaties van veevoerbedrijven, graanhandelaren, boeren, coöperaties en oliezadenverwerkers, ligt in de cijfers het bewijs dat importen noodzakelijk zijn. De EU kan de productie van eiwitrijke coproducten wel opvoeren, maar de importvolumes zijn te groot en eiwitrijk voor de EU om importonafhankelijk te worden.

De organisaties FEFAC, Coceral, Copa-Cogeca en Fediol roepen de Europese Commissie op om landbouwbeleid te maken die de importafhankelijkheid niet vergroot, en de toegang tot belangrijke eiwitbronnen voor de veehouderij in de EU garandeert. Daarmee verwijzen de organisaties naar de inzet van antidumpingmaatregelen, ondersteuning van de teelt van akkerbouwgewassen voor biobrandstoffen en fytosanitair beleid.

Groot belang voor Nederland

Voor Nederland is dit belang groot. Nederland kent een relatief grote veehouderij. Voor veehouders maakt de voerprijs vaak meer dan 80% uit van de kostprijs. Nederland telt met Agrifirm, ForFarmers en De Heus ook drie van Europa’s grootste veevoerconcerns.

Of registreer je om te kunnen reageren.