1961: Varken vrat de restjes op en maakte er vlees van

Foto: Misset
Een varken was vroeger een levende spaarpot. Als hij slachtrijp was, kwam er geld binnen. En vlees.Het varken op de foto is, te zien aan de staande oren, van het Groot Yorkshire-type. Dit sterk bevleesde Engelse ras verdrong begin vorige eeuw de traditionele landvarkens met de lange loboren. - Foto: MissetIn 1961, het jaar waarin deze foto werd gemaakt, was dit geen uitzonderlijk beeld. Rechts een spoelplaats voor de melkbussen, links de mestvaalt met een scharrelend varken ernaast. De varkenshouderij was toen al wel bezig aan een specialisatieronde, maar op gemengde bedrijven was een varken meestal voor erbij, een handige afvalverwerker die restjes omzette in vlees. Levende spaarpremieZo’n varken was voor sommige boeren een levende spaarpremie, een financiële plus tegen de tijd dat het beest geslacht werd. Op andere bedrijven betekende de slacht dat de zoldering vol hammen, zijden spek en worsten hing, alles voor eigen gebruik. Overigens kwamen tussen 1955 en 1960 ook de centrale vrieshuizen op, een soort gemeenschappelijke diepvriezers waar je een lade kon huren om je groenten en vlees in te bewaren. De komst van de thuisvriezer heeft dit fenomeen inmiddels verdreven maar het heeft lang bestaan. 413 miljoen kilo varkensvlees per jaarIn de tijd van de foto waren er 146.000 bedrijven waar één of meer varkens rondliepen. Samen produceerden ze 413 miljoen kilo varkensvlees per jaar. In tien jaar tijd was dat bijna een verdubbeling van de kilo’s, maar een halvering van het aantal bedrijven met varkens. De schaalvergroting was duidelijk al begonnen. In 2020 telde Nederland nog 3.600 bedrijven met varkens. Samen produceerden zij toen ruim 1,6 miljoen ton ‘karkasgewicht.’
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









