Varkenshouderij

Achtergrond 1389 x bekeken

Zeugen wegen voor hogere kwaliteit big

Harry Harenberg weegt standaard alle zeugen twee keer. Het levert hem extra informatie op om de conditie te verbeteren. De werkwijze sluit perfect aan bij zijn streven naar de hoogste gezondheid en veel biggen van de beste kwaliteit.

Acht jaar geleden bouwden Harry en Willy Harenberg een nieuw zeugenbedrijf op een bestaande varkenslocatie. Ze grepen de gelegenheid aan om te starten met een SPF-zeugenstapel en bouwden veiligheden in de manier van werken in om die status te behouden. Dat is tot de dag van vandaag goed gelukt: recente bloeduitslagen zijn nog steeds negatief van kiemen als PRRS, influenza, App, HPS, PIA en salmonella.

Foto: Michel Velderman
Foto: Michel Velderman

Naam: Harry Harenberg (50) Plaats: Holten (Overijssel) Bedrijf: in een maatschap met zijn vrouw Willy in totaal 470 zeugen. De Topigs 20-zeugen worden geïnsemineerd met de Tempo-beer. De biggen gaan naar één vaste mester. Het bedrijf heeft sinds de start acht jaar geleden een hoge gezondheidsstatus en is vrij van onder andere PRRS, influenza, App, HPS en PIA. De fokgelten worden van een SPF-fokbedrijf aangekocht op een leeftijd van 160 tot 200 dagen. De zeugen produceren over de afgelopen 12 maanden 33,9 gespeende biggen per jaar. Het aantal levend geboren biggen bedraagt 15,4 stuks. De uitval in de kraamstal is 9,4% en na spenen 1,6%. Het afbigpercentage is 94,6%. Het laatste halfjaar is de productie gestegen naar 34,6 gespeende biggen.

De afgelopen 12 maanden zijn bijna 34 biggen per zeug gespeend. Niet alleen het aantal biggen is belangrijk, maar zeker ook de kwaliteit ervan: de ondernemers streven naar uniforme koppels van sterke biggen die vrij zijn van een hele reeks ziekten. Ze slagen daar goed in; het percentage uitval en restbiggen ligt onder de 3%. Het beste bewijs levert de afnemer van de biggen, die technisch bovengemiddeld draait.

Na een rondgang door het bedrijf en uitleg over hun secure werkwijze met individuele aandacht voor zeug en biggen, is het niet verwonderlijk dat juist op dit bedrijf is begonnen met het wegen van zeugen. “We deden wel wekelijks aan spekdiktemeting maar daar is niet zo goed mee te sturen”, vertelt de varkenshouder. “Wegen van zeugen is betrouwbaarder en levert meer informatie op.”

Veel minder verstoringen

De ondernemers werken in een team met Edy Bouman van ForFarmers, dierenarts Arjan Schuttert van De Oosthof en Gerrit Eggink van Topigs. Gezamenlijk willen ze de lat telkens hoger leggen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Gezien de voordelen promoot ForFarmers het wegen van zeugen. Inzicht in de gewichtsontwikkeling van zeugen is altijd en voor alle bedrijven interessant. Bouman benadrukt dat het op bedrijven met een hoge gezondheid een nog efficiëntere methode is. “Bijsturen in voeding komt op deze bedrijven volledig ten goede aan de gewichtsontwikkeling. Er gaat minder voer verloren omdat er veel minder verstoringen zijn door een hoge infectiedruk of ziekte.”

Eenmaal gekozen om te gaan wegen gingen de ondernemers niet voor het halve werk; ze schaften een mobiele, elektronische weegschaal aan waarmee ze alle zeugen voor het werpen en na het spenen wegen. “Het alternatief was een vaste installatie maar dat was logistiek niet handig. We gaan nu met de weegschaal naar de zeugen toe in plaats van andersom.”

Alle zeugen gaan op het bedrijf van Harry Harenberg (l.) standaard twee keer op de weegschaal: voor het werpen en na het spenen. De mobiele weegschaal staat in de gang waar de zeugen toch doorheen moeten lopen. Overigens gebruikt Harenberg de weegschaal ook zo nu en dan om een koppel biggen te wegen.
Alle zeugen gaan op het bedrijf van Harry Harenberg (l.) standaard twee keer op de weegschaal: voor het werpen en na het spenen. De mobiele weegschaal staat in de gang waar de zeugen toch doorheen moeten lopen. Overigens gebruikt Harenberg de weegschaal ook zo nu en dan om een koppel biggen te wegen.

De meeste zeugenhouders die beginnen met wegen kiezen voor een beperkte groep, zoals alleen de jonge zeugen. Op dit bedrijf gaan alle zeugen twee keer per cyclus over de weegschaal. Dat levert volgens de varkenshouder de meeste managementinformatie op. Bovendien is het wegen organisatorisch niet zo moeilijk in te passen. De hoeveelheid arbeid valt de varkenshouders mee. “Ik geloof niet dat het veel meer werk is dan vroeger regelmatig spekdikte meten.” Een nadeel is nu nog dat de gewichten handmatig moeten worden ingevoerd in het managementsysteem. Dat systeem kan wel analyses maken van de gewichten maar een koppeling met de weegschaal zou een welkome aanvulling zijn.

Gewichtsverlies kraamstal

Het 1,5 jaar wegen van zeugen heeft al flink wat informatie opgeleverd. Het belangrijkste inzicht was het werkelijke gewichtsverlies in de kraamstal. Waar op andere bedrijven vaak het probleem bij de eersteworpszeugen ligt , was het hier niet het geval. “We hebben destijds bewust gekozen om gelten niet zelf op te fokken, maar dekrijp aan te kopen.” Aangezien het fokbedrijf ook SPF is, maakt dat voor de gezondheidssituatie niets uit. Goed opfokken is volgens Harenberg een aparte tak van sport, wat vooral bij relatief kleine aantallen niet altijd het beste resultaat geeft. Deze keuze blijkt goed uit te pakken: zowel de gewichtsontwikkeling als de resultaten bij de gelten en jonge zeugen zijn prima.

Wegen begint vaak bij gelten

De meeste bedrijven beginnen met het wegen van de gelten en jonge zeugen. Een te lichte gelt bij dekken heeft een lagere levensproductie en minder reserves voor het zogen van grotere tomen. Te zware gelten hebben meer problemen met afbiggen en een korte levensduur. De juiste conditie bij de start is bepalend voor de rest van het leven. Berucht is het zogenoemde second litter syndrom: gelten zijn dan bij de eerste inseminatie onvoldoende ontwikkeld en verliezen tijdens de eerste lactatie te veel gewicht. Zodoende komen voor de cycli te weinig eicellen in ontwikkeling.

Bij de oudere zeugen bleek het gewichtsverlies in de kraamstal wel te hoog. De fokkerijorganisatie hanteert een maximaal verlies van 40 kilo tot de vijfde pariteit. Bij Harenberg lag dat rond de 50 kilo. Voor de beste eicelkwaliteit mogen de zeugen niet te veel gewicht verliezen. Volgens Bouman moet na 35 dagen dracht het gewicht voor 75% zijn hersteld.

Op basis van de weeggegevens is het voerschema’s en het type lactovoer in de kraamstal aangepast. Dat leidde tot een minder sterke gewichtsafname bij de oudere zeugen. Het is nog niet optimaal en mogelijk zijn nog meer acties nodig, zoals drie keer daags voeren in de kraamstal. Gezien de stijging in productie en het maximaal benutten van de eigen uiers van zeugen, ontkomt de ondernemer daar waarschijnlijk sowieso niet aan. Ook zijn er mogelijkheden voor het verstrekken van twee lactovoeders, maar daarvoor zijn aanpassingen van het voersysteem nodig.

Dagen later spenen

Een gevolg van de betere conditie van de zeugen is dat de ondernemers een ingrijpende aanpassing in het management hebben kunnen doen; sinds afgelopen voorjaar worden de biggen een paar dagen later gespeend. Deze is nu gemiddeld na 26,5 dagen. Voorheen speenden ze alternerend, dat wil zeggen spenen op 23 dagen waarbij de speendag varieert. Gemiddeld zijn de biggen nu 3 tot 4 dagen ouder bij spenen en dat maakt volgens Harenberg een groot verschil in de kwaliteit van de gespeende biggen.

Later spenen is goed voor de biggen omdat ze sterker zijn rondom het stressvolle speenmoment. Maar ook voor de zeugen pakt de nieuwe aanpak goed aan; het idee is dat meer tijd tussen werpen en dekken de kwaliteit van de eicellen ten goede komt. Dat is gunstig voor het aantal biggen en de kwaliteit ervan in de volgende cycli.

Uit de het verloop van de technische resultaten blijkt deze theorie te kloppen. Sinds dit voorjaar stijgt het aantal geboren en gespeende biggen sterkere dan voorheen. In het derde kwartaal van dit jaar ligt het aantal geboren biggen één big hoger dan in hetzelfde kwartaal vorig jaar. Door het latere speenmoment en de goede conditie van de zeugen en vakmanschap is niet ingeleverd op de vruchtbaarheidskengetallen. Daardoor ligt het aantal gespeende biggen in de laatste maanden rond de 34,5 biggen per zeug per jaar.

Aantal zeugen iets gekrompen

Aangezien verder geen aspecten in de bedrijfsvoering zijn aangepast, is de verbetering volgens de varkenshouder en adviseur volledig toe te schrijven aan het later spenen. Een consequentie was wel dat het aantal kraamhokken niet meer goed aansluit bij het aantal zeugen. Daardoor is het aantal zeugen iets gekrompen. Maar de ondernemers zien te veel voordelen van later spenen dat het zeker opweegt. Met het continu wegen van de zeugen houdt de ondernemer een stevige vinger aan de pols en kan ingrijpen als het nodig is.

Of registreer je om te kunnen reageren.