Home

Achtergrond 1421 x bekeken laatste update:16 apr 2014

Familiebedrijf heeft de wind mee

De Hoge Raad heeft bepaald dat de bedrijfsopvolgings-
faciliteit niet discriminerend is. De overheid mag 
opvolgers fiscaal ruim blijven steunen.

Familiebedrijven staan sterk in de belangstelling en hebben een goede naam. Ondernemingen die in familieverband zijn georganiseerd, lijken het best te functioneren als het gaat om stabiliteit en continuïteit, ook in economisch lastige tijden. Niet zo gek dat er nationaal en internationaal veel aandacht is voor dit, in de agrarische sector veel voorkomende, werkverband.
2014 is door wereldhandelsorganisatie FAO uitgeroepen tot International Year of Family Farming. Daarnaast heeft staatssecretaris Frans Weekers van Financiën zich afgelopen maanden in allerlei bochten gewrongen om de royale bedrijfsopvolgersfaciliteit (BOF) voor de rechter in stand te houden. De Hoge Raad ging daar eind november in mee (zie kader). Familiebedrijven mogen van de Hoge Raad een grote fiscale stimulans krijgen bij een opvolging, ook als dat een fors belastingverschil oplevert met schenkingen en erfenissen in een ander kader dan bedrijfsopvolging. Ook wetenschappers en onderzoekers houden zich bezig met familiebedrijven. Uit onderzoeken komt het beeld naar voren van een stabiele werkorganisatie, die gericht is op de lange termijn en minder last heeft van economische fluctuaties. Gemiddeld lijkt het familiebedrijf crisisbestendiger.

 

Dominante vorm van ondernemerschap

Volgens de definitie van Nyenrode Business Universiteit is een bedrijf een familiebedrijf als het aan twee van de volgende criteria voldoet:
• meer dan 50 procent van het eigendom is in handen van één familie;
• één familie heeft beslissende invloed op de bedrijfsstrategie of op opvolgingsbeslissingen;
• een meerderheid of ten minste twee leden van de ondernemingsleiding zijn afkomstig uit één familie.
Volgens Nyenrode zijn familiebedrijven in Nederland door de eeuwen heen de dominante vorm van ondernemerschap geweest. Ook in de 21ste eeuw blijkt dat het belang van familiebedrijven moeilijk kan worden overschat, stelt de universiteit.
Naar schatting telt Nederland minimaal 260.000 familiebedrijven, die samen verantwoordelijk zijn voor 49 procent van de werkgelegenheid en 53 procent van het bruto nationaal product. Het familiebedrijf is de ruggengraat van de economie, stelt Nyenrode. Volgens de universiteit blijkt het familiebedrijf ook in tijden van economische teruggang een stabiele werkgever en een betrouwbare relatie.

 

Opzet regeling is keuze van wetgever

Hoe belangrijk de wetgever familiebedrijven voor de Nederlandse economie vindt, toont de geschiedenis van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. In 1998 werd de regeling in het leven geroepen met als doel te voorkomen dat betalen van successierecht bij een erfenis of schenkingsrecht bij een schenking bij het voortzetten van een bedrijf zou leiden tot liquiditeitsproblemen. De regeling begon vijftien jaar geleden met een vrijstelling van 25 procent en is in de loop der jaren sterk uitgebreid. In 2002 kwam er een verhoging tot 30 procent. Drie jaar later werd dit 75 procent, na een amendement op het Belastingplan 2005, dat in eerste instantie nog uitging van een verhoging naar 50 procent. In 2009 kwam de volgende uitbreiding van de regeling. Het kabinet stelde een verhoging van 90 procent voor, door een amendement werd dit een vrijstelling van 100 procent over de eerste €1 miljoen. Hoe de regeling er in 2013 precies uitziet, staat in het kader links.

Dat de Hoge Raad de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet discriminerend vindt ten opzichte van andere belastingbetalers stemt staatssecretaris Weekers tevreden. “Dit is goed nieuws voor de continuïteit van ondernemingen”, vindt hij. Overigens stelt de Hoge Raad in de uitspraak dat de keuze voor de hoogte van de belastingvrijstelling bij de wetgever ligt. De wetgever, in de persoon van Weekers, heeft zich er hard voor gemaakt de huidige, zeer ruime vrijstelling te behouden.
De fiscale faciliteiten die de bedrijfsopvolgingsregeling nu biedt, lijken op hun top te zitten. Het huidige of een volgend kabinet kan om moverende redenen de vrijstelling terugschroeven. In het kader van de voortgaande zoektocht naar bezuinigingsmogelijkheden kan de politieke afweging immers ineens anders liggen. In dat geval biedt de uitspraak van de Hoge Raad geen aanknopingspunten daartegen bezwaar te maken.

 

Wetenschappelijke en internationale steun

Robert Flören, hoogleraar Familiebedrijven en Bedrijfsoverdracht aan Nyenrode Business Universiteit, is blij met de fiscale ondersteuning van familiebedrijven. Een van de kenmerken van deze bedrijven is volgens Flören de doorgaans betere solvabiliteit, waardoor ze minder afhankelijk zijn van banken. Ilse Matser, lector Familiebedrijven aan Hogeschool Windesheim in Zwolle, onderschrijft deze stelling. “Familiebedrijven doen het goed in een crisis, ze hebben meer spek op de botten”, zegt zij. “Het gaat meestal om heel betrokken eigenaren die vooral naar de lange termijn kijken. Het gaat hen niet om kortetermijnwinst, maar om continuïteit op lange termijn.”

Flören ziet nog een ander groot belang, volgens hem komen innovaties veelal juist voort uit familiebedrijven.

Op dezelfde dag dat de Hoge Raad tot zijn uitspraak kwam, was er ook internationale steun voor het familiebedrijf met het uitroepen van 2014 tot het internationale jaar van het familiebedrijf. Wereldhandelsorganisatie FAO wil hiermee het belang van agrarische familiebedrijven onderstrepen en stelt dat deze wereldwijd een belangrijke rol hebben in het bestrijden van voedselzekerheid en daarmee van honger en armoede.

 

 

Ongelijke behandeling niet verboden

Bedrijfsopvolgers hoeven op korte termijn niet te vrezen dat ze bij een bedrijfsoverdracht meer geld moeten afdragen. Nadat het gerechtshof in Den Bosch en advocaat-generaal 
Robert IJzerman van de Hoge Raad de huidige bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) discriminerend noemden, leek verlaging van de vrijstellingsgrens voor de hand te liggen. De Hoge Raad legt echter de conclusie van de advocaat-generaal naast zich neer. Dat blijkt uit een uitspraak van 22 november. Volgens het hoogste rechtscollege heeft de huidige bedrijfsopvolgingsregeling een legitiem doel en is daarom niet onredelijk naar andere belastingbetalers.
IJzerman stelde in zijn uitspraak van 30 september dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit discriminerend is. Hij sprak van ‘een willekeurig vastgesteld fiscaal privilege ten faveure van een beperkte groep’.
Volgens de Hoge Raad gaat het beroep op discriminatie niet op, omdat niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is als daar een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor is. De wetgever heeft de faciliteit onder meer in het leven geroepen om te voorkomen dat de continuïteit van bedrijven in gevaar komt bij een bedrijfsovername.
De kritiek op het steeds verhogen van het vrijstellingspercentage de afgelopen jaren, zonder dat daar een gedegen onderzoek aan ten grondslag ligt, verwerpt de Hoge Raad eveneens. Maatregelen die worden genomen met het oog op problemen in de praktijk, hoeven niet altijd gebaseerd te zijn op uitgebreid onderzoek, stelt ze.

Fiscale spelregels bedrijfsopvolgingsfaciliteit

Als een onderneming erft of geschonken wordt, moet over de waarde van die onderneming erf- of schenkbelasting worden betaald. Wordt de onderneming voortgezet, dan kan de opvolger gebruikmaken van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.
Een belangrijke voorwaarde om gebruik te kunnen maken van de regeling is dat bij een erfenis de overledene minimaal één jaar eigenaar van het bedrijf is geweest. Bij een schenking geldt dat de schenker minimaal vijf jaren eigenaar van de onderneming moet zijn geweest. Voor degene die het bedrijf erft of geschonken krijgt, geldt dat hij de onderneming minimaal vijf jaar moet voortzetten.
Hoeveel vrijstelling van erf- of schenkbelasting een opvolger krijgt, is afhankelijk van de waarde van de onderneming, het ondernemingsvermogen. De Belastingdienst maakt bij de bepaling van deze waarde onderscheid tussen twee zaken:
• goingconcernwaarde: de waarde van het ondernemingsvermogen als samenhangend geheel, inclusief zaken als opstallen, gronden, quota en goodwill.
• liquidatiewaarde: de totale waarde van alle afzonderlijk gewaardeerde bedrijfsmiddelen of clusters van bedrijfsmiddelen.
Voor de erf- of schenkbelasting wordt uitgegaan van de hoogste van deze twee waarden.
Er zijn vier situaties mogelijk:
• De goingconcernwaarde is maximaal €1.028.132 (de grens die voor 2013 geldt) en hoger dan de liquidatiewaarde. De vrijstelling is dan 100 procent over de goingconcernwaarde.
• De goingconcernwaarde is maximaal €1.028.132 en lager dan de liquidatiewaarde. De vrijstelling is 100 procent over de liquidatiewaarde.
• De goingconcernwaarde is meer dan €1.028.132 en hoger dan de liquidatiewaarde. De vrijstelling is 100 procent over de goingconcernwaarde tot €1.028.132. Over de goingconcernwaarde boven dit bedrag is de vrijstelling 
83 procent.
• De goingconcernwaarde is meer dan €1.028.132 en lager dan de liquidatiewaarde. Over het verschil tussen de goingconcernwaarde en de liquidatiewaarde is de vrijstelling 100 procent. Vervolgens is de vrijstelling 100 procent over de goingconcernwaarde tot €1.028.132 en 83 procent over de goingconcernwaarde boven dit bedrag.
Als het ondernemingsvermogen hoger is dan €1.028.132 moet bij een bedrijfsovername een bedrag voor erf- en schenkbelasting worden betaald. Voor deze aanslag kan uitstel van betaling worden aangevraagd. De Belastingdienst stuurt dan een zogenoemde conserverende aanslag. Deze aanslag moet binnen maximaal tien jaar voldaan zijn.

Crisis heeft toch invloed op familiebedrijf

De economische crisis lijkt toch niet helemaal voorbij te gaan aan familiebedrijven. Dat blijkt uit een recente marktanalyse van accountantsbureau Flynth en familiebedrijvenplatform Fambizz. Van de zeventig ondervraagde bedrijven geeft 70 procent aan te maken te hebben met omzetdaling. Zij schrijven die daling volledig toe aan de crisis.
Van de ondervraagde familiebedrijven zegt 30 procent dat de omzet ondanks de crisis de afgelopen vijf jaar is gegroeid. Dit is te danken aan investeringen in het verleden, denken de ondervraagden.
35 procent van de ondervraagden doet steeds meer langetermijninvesteringen. Die worden grotendeels betaald vanuit het 
privévermogen. Een kwart van de betrokken bedrijven zegt bij de bank aan te kloppen. Dit sluit aan bij eerder onderzoek van Fambizz, waaruit blijkt dat de helft van de familiebedrijven voor een financiering bij de bank aanklopt. Bijna 60 procent spreekt het familiekapitaal aan en ruim 70 procent zoekt private investeerders of andere alternatieve financieringsbronnen.

In Nederland zijn minimaal 260.000 familiebedrijven, die samen verantwoordelijk zijn voor ruim 49% van de werkgelegenheid en bijna 53% van het Bruto Nationaal Product

Of registreer je om te kunnen reageren.