Melkrobot verbetert welzijn van koe niet vanzelf
Automatische melksystemen hebben veel potentie om het welzijn van de koe te verbeteren. Toch komt dat er in de praktijk lang niet altijd uit, zo blijkt uit een wetenschappelijke studie. Met beter management en betere data-analyse zijn de positieve effecten te vergroten en de negatieve verder te beperken.

Door de intensieve monitoring in een AMS kunnen afwijkingen bij koeien vroeg worden ontdekt. Dat zorgt voor een eerdere en betere diagnose. Behandeling in een vroeg stadium of het besluit om een zieke koe af te voeren, verlaagt het risico op vroegtijdige sterfte. Het voorkomen van lijden verbetert het welzijn. Foto: Twan Wiermans
Het gebruik van automatische melksystemen (AMS) is in 1992 geïntroduceerd. Het is sindsdien uitgegroeid tot een gangbaar systeem op melkveebedrijven in Nederland en andere landen. In Nederland melkt inmiddels 40% van alle bedrijven met een robot. Arbeidsflexibiliteit, verbetering van het sociaal leven en een potentiële stijging van de melkopbrengst zijn de belangrijkste drijfveren achter de groei. Maar wat is nu de invloed van deze ontwikkeling geweest op het welzijn van de koeien? Gijs Verschuuren, die ruim 30 jaar als dierenarts in DAP Gemert werkte, dook met een wetenschappelijke studie in die vraag. “De combinatie van interesse in automatisch melken, de overvloedige tijd die je als pensionado hebt en de wil om iets wetenschappelijk te ondernemen, bracht me tot deze studie, waaraan ik drie jaar heb gewerkt.”
Eindeloze informatie uit melkrobot
Tot een eensluidend antwoord komt hij niet. “Ja, de melkrobot heeft veel potentie om het welzijn van koeien te verbeteren en daarmee de prestaties van koeien te verbeteren”, aldus Verschuuren. “Maar die potentie komt er alleen uit als de omstandigheden goed zijn. Met goede omstandigheden bedoel ik dat de robot optimaal functioneert of dat je de enorme stroom data uit de robot ook goed gebruikt. De attitude van de veehouder om daadwerkelijk iets te doen met de eindeloze informatie die een melkrobot levert, is zeer bepalend.”
Hij denkt dat daar nog forse slagen te maken zijn. “In de praktijk zien we bij automatische melksystemen nu nog te vaak dat er weinig aandacht is voor de mogelijke negatieve dierenwelzijnseffecten en daarmee mindere prestaties van de koeien.”
62 potentiële AMS-effecten op koewelzijn
In totaal identificeerde Gijs Verschuuren 62 potentiële effecten van automatisch melken op het koewelzijn. De effecten zijn vastgesteld op basis van de wetenschappelijke welzijnstheorie van de Canadese wetenschapper David Fraser en komen voort uit een raamwerk van 14 indicatoren en bestaande literatuur over AMS in de periode 2000-2026.
De 14 geselecteerde indicatoren vertonen een duidelijke relatie tussen de invloed van automatische melksystemen en dierenwelzijn. De potentiële effecten op welzijn zijn gebaseerd op biologisch functioneren, emoties en natuurlijk gedrag. Ze zijn geïdentificeerd op basis van peer-reviewed literatuur gepubliceerd in de periode 2020-2025. De 14 indicatoren zijn sterfte op het bedrijf, afvoer, mastitis, kreupelheid, ketose, vrije beweging en autonomie, grazen, het tijdbudget van de koe, sociale dominantie en bezettingsgraad, invloed van digitalisering, melkproces, hygiëne, voeding en verandering van de mens-dierrelatie.
Vervolgens zijn de effecten onderverdeeld in intrinsieke en extrinsieke effecten. Intrinsieke effecten hebben een direct, rechtstreeks verband met het gebruik van de melkrobot. Extrinsieke effecten komen voort uit het werken met de robot of het management eromheen. Ter verduidelijking: een intrinsiek effect is bijvoorbeeld dat er minder koeien worden afgevoerd dankzij door AMS gegenereerde data die het gezondheidsmanagement verbeteren. Maar tegelijkertijd is op AMS-bedrijven juist ook vaak meer afvoer van koeien, omdat hun gedrag niet bij de robot past of omdat de speenplaatsing verkeerd is. Dat wordt in het onderzoek gekarakteriseerd als een extrinsiek effect. In zijn onderzoek deelde Verschuuren de 62 AMS-effecten op welzijn in twee groepen in: positief voor het welzijn of negatief voor het welzijn van de koe.
Studie: balans positieve en negatieve effecten
De studie van Verschuuren laat een vrijwel evenwichtige verdeling zien tussen de twee groepen: 32 effecten werden als positief beoordeeld voor het dierenwelzijn en 30 effecten als negatief. Ook de verdeling tussen intrinsieke en extrinsieke effecten is nagenoeg gelijk: 30 intrinsiek en 32 extrinsiek.
Een ander beeld ontstaat echter wanneer de waardering van welzijn wordt bekeken in relatie tot het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke effecten. De intrinsieke effecten – dit zijn dus effecten die een rechtstreeks verband hebben met het gebruik van de melkrobot – vertonen duidelijk meer positieve beoordelingen voor het welzijn: 23 zijn positief en 7 negatief. Daartegenover staan de extrinsieke effecten, dus effecten met een indirect verband. Deze hebben juist vaker een negatief effect op het koewelzijn: 9 positief en 23 negatief.
Invloed AMS op mastitis en kreupelheid
Verschuuren haalt als voorbeeld mastitis aan, dat wordt gezien als een belangrijke indicator voor welzijn. “Melken met een robot kan tot een verminderd risico op mastitis leiden door onder meer kwartiermelken, melkfrequentie per koe op maat of het reinigen of desinfecteren van de spenen na het melken met stoom. Dit zijn allemaal intrinsieke effecten die positief zijn voor het koewelzijn. Ertegenover staat dat er juist ook een verhoogd risico kan ontstaan bij automatisch melken door onvoldoende reiniging en desinfectie, storingen van de AMS, verkeerde instellingen, mislukte melkingen of een hoge melkfrequentie. Dit zijn allemaal extrinsieke effecten, die negatief zijn voor het koewelzijn. Ook melklekken, dat de kans op mastitis vergroot, kan bij gebruik van AMS toenemen, met name bij vaarzen, koeien met een lage sociale rangorde, onregelmatige melkintervallen en incomplete melkingen. Het kan dus qua effecten beide kanten op.”
Hetzelfde geldt voor kreupelheid. “De kreupele koe kan in een AMS worden geconfronteerd met langere wachttijden voor het melken, onregelmatige melktijden op minder gunstige tijdstippen, frequenter ophalen voor een robotbezoek en een verhoogd risico op verstoringen in de voeropname. Daarnaast kan een kreupele koe binnen een AMS eerder worden afgevoerd. Bijvoorbeeld als gevolg van toegenomen arbeidsbehoefte of inefficiënt gebruik van het systeem. Dat zijn stuk voor stuk extrinsieke negatieve effecten.”
Tegelijkertijd biedt een AMS mogelijkheden voor de ondersteuning van de detectie van kreupele koeien, waardoor behandeling in een vroeger stadium kan worden ingezet en de behandelresultaten kunnen verbeteren, stelt hij. “Dit is een typisch positief intrinsiek effect. De detectie van nieuwe gevallen van kreupelheid is veelbelovend door de inzet van sensortechnologie en verbeterde algoritmen, waaronder toepassingen van kunstmatige intelligentie. Maar ook hier kan het dus qua effecten beide kanten op. Bij de meeste andere indicatoren is dit niet veel anders.”
Management bepaalt welzijnseffect melkrobot
Wat zijn nu de conclusies die de melkveesector kan trekken uit zijn onderzoek? Verschuuren: “Het grote aantal vastgestelde effecten toont aan dat het gebruik van de melkrobot een aanzienlijke impact heeft op het welzijn en daarmee de prestaties van de individuele koe, zowel in positieve als negatieve zin.”
Dat effecten die een directe relatie hebben met de robot vaak als positief worden beoordeeld voor dierenwelzijn en effecten met een indirecte relatie vaker als negatief, onderstreept volgens hem de conclusie dat de melkrobot nog een groot potentieel heeft om het welzijn van de individuele koe, en daarmee de prestaties, verder te verbeteren. “Maar wil dat potentieel eruit komen, dan moet de veehouder meer openstaan voor het werken en vertalen van de data. Daarnaast moeten de adviseurs om de veehouders heen dat ook gaan doen, dus zich gaan openstellen voor de algoritmes die mastitis, kreupelheid of ketose er in een vroegtijdig stadium uithalen.
Er zit een schat aan informatie in dat ding, alleen het is de kunst om het op een juiste manier te vertalen naar de veehouder toe. Als je veel vaarzen hebt die uitvallen, ga eens kijken wat de robot zegt. Die geeft informatie over gedrag, melkproductie, wat doen ze goed, wat doen ze slecht, wanneer worden ze gemolken, waarom staan ze achter in de rij. Maak de analyse!”
irecte en indirecte effecten
In totaal identificeerde Gijs Verschuuren 62 potentiële effecten van automatisch melken op het koewelzijn. Deze effecten zijn onderverdeeld in intrinsieke en extrinsieke effecten. Intrinsieke effecten hebben een direct verband met het gebruik van de melkrobot. Voorbeeld: een van de 62 effecten van automatisch melken op welzijn is dat koeien meer bewegingsvrijheid en ruimte voor autonoom gedrag krijgen. Dat is dus een intrinsiek – een direct – positief effect. Wat ook intrinsiek is, maar dan negatief voor het welzijn, zijn systeemstoringen van AMS of lange onderbrekingen door onderhoud, die de melkschema’s verstoren en zo langere wachttijden, stress en ongemak veroorzaken voor de individuele koe, met name voor de sociaal lagere koe.
Extrinsieke effecten zijn indirecte effecten op het koewelzijn. Voorbeeld: dat de melkveehouder nu soms koeien moet ophalen om ze te laten melken door de robot, kan bijdragen aan een vroege diagnose van een zieke of kreupele koe. Wat als gunstig voor de gezondheid van de individuele koe moet worden beschouwd. Een tweede voorbeeld van een extrinsiek effect: door verkeerde uiervorm of afwijkende speenstanden zijn sommige koeien niet zo geschikt om gemolken te worden door de robot. Dit zorgt voor een hogere afvoer op het bedrijf. Dit wordt dus bestempeld als een extrinsiek en negatief effect.
Melkrobot kan weidegang beperken
Analyse van de literatuur wijst in het onderzoek van Gijs Verschuuren op een potentieel extrinsiek negatief effect van automatisch melken op dierenwelzijn, namelijk de afname van weidegang. “Grazen wordt beschouwd als een fundamentele gedragsbehoefte van de melkkoe. Het onthouden van weidegang kan daarom negatieve consequenties hebben voor het welzijn van de koe”, zegt hij.
Weidegang en diergezondheid
Weidegang wordt in de wetenschappelijke literatuur geassocieerd met verbeterde diergezondheid, een toename van positieve affectieve toestanden en een reductie van negatieve emoties. Ook is aangetoond dat weidegang invloed heeft op minder kreupelheid, sterftecijfers, het afkalfproces, minder agressie, sociale interacties en rust- en herkauwgedrag. Daarnaast vertonen weidende koeien in cognitieve bias-testen meer optimistische responsen en tonen zij een duidelijke motivatie en voorkeur om toegang te krijgen tot de weide. “De omvang van dit welzijnsprobleem is substantieel doordat een groeiend aandeel van de melkkoeien permanent op stal staat en de trend om koeien binnen te houden toeneemt”, concludeert Verschuuren.
Weidegang en melkrobot: ‘Het kan zeker’
De mechanismen waardoor AMS kan bijdragen aan een reductie van weidegang zijn voornamelijk gerelateerd aan een mogelijke daling van de melkfrequentie bij beweiding, verminderde efficiëntie van het melksysteem en een toename van arbeidsbehoefte door de weidegang, zo staat in het onderzoek. Toch zijn er melkveehouders die melkrobots en weidegang succesvol combineren. “Het kan zeker, maar vraagt wel kunde en vooral een sterke intrinsieke motivatie om weidegang als managementdoelstelling te behouden”, denkt de dierenarts.








