Effect IBR-bestrijding ver te zoeken op melkveebedrijven

Laatst bijgewerkt:
Een dierenarts ent een koe tegen IBR. Melkveebedrijven zijn via hun zuivelonderneming verplicht om deel te nemen aan een bestrijdingsprogramma. De vleesvee- en kalversectoren doen echter niet mee met de verplichte bestrijding. Dit zorgt voor herbesmetting vanuit de niet-melkleverende bedrijven. - Foto: Henk Riswick

Een dierenarts ent een koe tegen IBR. Melkveebedrijven zijn via hun zuivelonderneming verplicht om deel te nemen aan een bestrijdingsprogramma. De vleesvee- en kalversectoren doen echter niet mee met de verplichte bestrijding. Dit zorgt voor herbesmetting vanuit de niet-melkleverende bedrijven. - Foto: Henk Riswick


Wil je reageren? Maak dan gratis een account aan!

Ondanks een verplicht bestrijdingsprogramma is er geen vooruitgang in de IBR- en BVD-status van melkveebedrijven. Het percentage vrije bedrijven verslechterde zelfs iets.Melkveehouders werken nu twee jaar aan een IBR- en BVD-vrije sector. Zuivelaars dwingen melkveehouders op straffe van melkweigering deel te nemen aan een monitorings- en bestrijdingsprogramma (zie kader onderaan). Toch levert dat weinig op, want het percentage IBR-/BVD-vrije melkveebedrijven is ondanks alle gemaakte kosten eerder verslechterd dan verbeterd. Aandeel IBR- en BVD-vrije melkveebedrijven gedaaldEind 2018 was 77% van de melkveebedrijven procent IBR-vrij, een jaar later 75%. Bij BVD daalde het percentage onverdacht en vrij van 76% naar 73%. Dat rapporteert GD die het programma uitvoert.Bij de niet-melkleverende bedrijven is wel geringe verbetering te zien. Het aantal deelnemers aan het vrijwillige monitoringsprogramma groeide de laatste twee jaar licht. Het percentage IBR- en BVD-onverdacht en vrij steeg van 15% naar 20% sinds april 2018. IBR-bestrijding: dweilen met de kraan openAl met al lijkt het nog steeds dweilen met de kraan open. Deskundigen wijten de achterblijvende cijfers vooral aan het ontbreken van een verplicht bestrijdingsprogramma gekoppeld aan een aangifteplicht voor alle rundveesectoren. Daarvoor is een AMvB nodig. Het landbouwministerie schuift de invoering daarvan continu op. Deze zou al in 2017 van kracht zijn, werd uitgesteld tot 2018, later naar 2020 en nu noemt LNV 2021 als ingangsdatum. Daarmee wordt de verplichte IBR-bestrijding continu uitgesteld.“Binnenkort volgen nieuwe cijfers, de eerste analyses lijken aan te geven dat de verbetering van de situatie echt zichtbaar wordt”, zegt Yvonne Goos, programmamanager Diergezondheid en Dierenwelzijn van ZuivelNL. “We zijn nu nog in terugdringfase.”Lees verder onder de foto.Een dierenarts ent een koe tegen IBR. Melkveebedrijven zijn via hun zuivelonderneming verplicht om deel te nemen aan een bestrijdingsprogramma. De vleesvee- en kalversectoren doen echter niet mee met de verplichte bestrijding. Dit zorgt voor herbesmetting vanuit de niet-melkleverende bedrijven. - Foto: Henk RiswickReacties uit de sectorLTO Nederland laat weten dat het hernieuwde uitstel een gevolg van uitstel van Europese wet- en regelgeving is. “In de komende maanden komt het af”, zegt Rozan van Rossum, teamspecialist Gezonde Dieren bij LTO. “Het is logisch om de Europese regelgeving af te wachten en de Nederlandse bestrijding daarop aan te passen. De verschillende sectoren – melkvee, vleesvee en vleeskalveren – hebben elkaar in het verleden kritisch gevolgd bij de bestrijding van IBR en BVD. Inmiddels werken ze goed samen op dit dossier. Ondanks dat de snelheden waarmee wordt geacteerd verschillen, zien zij het gezamenlijk belang.”Wim Thus: bal ligt bij het ministerie én BrusselVoorzitter Wim Thus van LTO vakgroep Kalverhouderij benadrukt dat de bal bij het ministerie ligt. “Alle partijen moeten met elkaar zoeken naar een oplossing. Voor alle partijen geldt dat ze moeten weten waar ze instappen. Op dit moment is het onduidelijk.” Thus gaat ervan uit dat er een oplossing gaat komen. “Het is vooral de taak van Brussel om duidelijkheid te geven”, benadrukt hij.ZuivelNL vindt het jammer maar begrijpelijk dat vanwege de wijzigingen in de EU-regelgeving de Nederlandse regelgeving op zich laat wachten.Tankmelkonderzoek is een werkzame methodeBij het opstellen van de programma’s is rekening gehouden met het zo kostenefficiënt mogelijk maken van de programma’s”, legt Goos, uit. “In andere landen is voor de bestrijding van BVD bijvoorbeeld gekozen voor enkel de oorbioptenroute. Wij hebben ervoor gekozen meerdere routes in te richten. De tankmelk en het jongvee onderzoeken is voor veel veehouders een werkbare methode om aan hun status te werken”, legt Goos, uit. De melkveehouderij is gestart met het programma. Volgens Goos zullen de andere sectoren aansluiten. Dit kan bijvoorbeeld via kalverkwaliteitssystemen, en misschien in de toekomst via wetgeving.Bij IBR zijn dieren levenslang geïnfecteerdDe bestrijding van IBR duurt langer dan de bestrijding van BVD. BVD-dragende kalveren worden vaak niet volwassen door een lagere weerstand. Door hun moederdieren te testen is nieuw dragerschap te voorkomen en verdwijnt de aandoening langzaam van het bedrijf. Bij IBR zijn dieren levenslang geïnfecteerd. Het virus kan ineens weer actief worden en het dier zal het virus dan gaan uitscheiden en zo andere dieren besmetten. IBR kan zo redelijk onopgemerkt blijven maar toch op enig moment voor grote problemen zorgen.Herbesmetting vanuit vleesvee- en kalversectorenZoals eerder beschreven doen de vleesvee- en kalversectoren niet mee met de verplichte bestrijding. Dit zorgt voor herbesmetting vanuit de niet-melkleverende bedrijven. “De melkveehouderijsector wilde niet op een wettelijke regeling wachten. Deze sector is te hard van stapel gelopen terwijl de kalverhouderij en vleesveesector achter zijn gebleven”, zegt Toon van Hoof, oud-LTO-bestuurder. De enige manier om IBR en BVD uit te roeien is dat de hele rundersector meedoet. Het Europese systeem om beide ziekten te bestrijden kost een veehouder veel geld. Vooral als van alle individuele dieren een bloedonderzoek nodig is.”Volgens Van Hoof heeft de kalversector een flink voordeel dat bedrijven vooral kalveren aanvoeren die een ziektevrije status hebben.Zolang alleen de melkveehouderij meedoet aan verplichte bestrijding, is er geen zicht op een eindeDe vleesveehouderij heeft geen economisch voordeel bij de aanpak van IBR en BVD, legt Van Hoof uit. “Daarom was mijn idee destijds dat de kalversector de vleesveehouderij enigszins financieel tegemoet zou komen door een deel van de monitoringskosten voor hun rekening te nemen. De methode voor de melkveehouderij kan net uit via melkonderzoek. Met bloedonderzoeken wordt het kostenplaatje meteen heel anders.”Op de vraag wanneer Nederland vrij zal zijn van BVD en IBR kan Van Hoof geen antwoord geven. “Beide ziektes zullen altijd blijven bestaan als niet alle rundersectoren in Nederland in een bestrijdingsprogramma zitten. Er blijven altijd haarden en dus uitbraken zijn. Zo komen we er dus niet van af. Zolang alleen de melkveehouderij meedoet aan de verplichte bestrijding is er geen zicht op een einde.”Lees verder onder de foto.BVD opsporen kan via tankmelkonderzoek, bloedonderzoek en een oorbiopten onderzoek. - Foto: Hans PrinsenBestrijdingsmethodenDe ziektestatus én de bedrijfssituatie van het veebedrijf bepalen de bestrijdingsmethode.

Bedrijven die vrij zijn van één of beide ziektes kunnen hun status behouden door deel te nemen aan een monitoringsprogramma. Dit kan door tankmelkonderzoek, bloedonderzoek, en voor BVD een oorbioptenonderzoek.
Onverdachte bedrijven kunnen vrij worden door tankmelk te laten onderzoeken. Voor beide aandoeningen geldt dat als een bedrijf gedurende 24 maanden geen antistoffen heeft aangetoond, het in aanmerking komt voor een vrije status. Voor IBR geldt ook dat van alle runderen ouder dan zes jaar bloed moet worden getapt ter controle.
Een andere mogelijkheid om BVD-vrij te worden is om van vijf kalveren in de leeftijd van acht tot en met twaalf maanden bloed te tappen. Bij een gunstige uitslag herhaal je deze procedure twee keer per jaar. Na 24 maanden gunstige uitslagen is het bedrijf BVD-vrij verklaard.
Niet vrije bedrijven hebben IBR-antistoffen in de tankmelk en voor BVD ook bij het jongvee. Wanneer een koppel antistoffen tegen IBR in de tankmelk heeft, is halfjaarlijkse vaccinatie door de dierenarts verplicht.
Bij een consequente vaccinatie en geen aanvoer van dieren met IBR-antistoffen, verdwijnt de besmetting. Dit komt door natuurlijke vervanging van vee. Als de tankmelk geen antistoffen aantoont, is het bedrijf vrij van IBR.
Wanneer antistoffen tegen BVD in de tankmelk en/of bij het jongvee worden aangetoond, vindt een intake-onderzoek plaats. Daarbij wordt van alle niet-melkleverende dieren bloed afgenomen voor onderzoek op virus. Dragers van het virus dienen te worden afgevoerd.

Dit artikel is alleen voor abonnees

Al geabonneerd? 

Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement


Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen

Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen

Vorm je eigen mening met opinies en analyses


Bekijk aanbod

Snel delen


Sectornieuwsbrief Rundveehouderij


Reacties

Je bent niet ingelogd


Log in of maak binnen 30 seconden een account aan

Reageer op artikelen en deel je mening met anderen.