CBb: RVO te streng bij uitspraken fosfaatreductie

Foto: Michel Zoeter
Het CBb verwijt RVO de Regeling fosfaatreductieplan 2017 veel te strikt te hebben toegepast.Of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) kritischer aan het worden is of dat het puur toeval is moet nog blijken. Maar feit is dat heel kort achter elkaar in drie zaken het CBb uitvoeringsorganisatie RVO verwijt de Regeling fosfaatreductieplan 2017 veel te strikt volgens de letter te hebben toegepast. RVO had zich moeten realiseren dat ze gebruik had kunnen maken van de hardheidsclausule, aldus het CBb. Door dat niet te doen is er geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin de betreffende veehouders zich bevonden. Hierdoor zijn deze veehouders onevenredig hard getroffen, aldus het CBb. Sprake van bijzondere omstandighedenWat dit gaat betekenen voor de vele uitspraken die nog moeten volgen in rechtszaken over het fosfaatreductieplan moet afgewacht worden. Terugkijkend zijn van vele tientallen gedane uitspraken er tot nu toe slechts drie, meer of minder, in het voordeel van de veehouder. In alle overige gevallen trok RVO aan het langste eind.Wat deze drie uitspraken wel duidelijk maken is dat RVO zich het te gemakkelijk maakt door puur naar de wetgeving te kijken en naar de letter toe te passen.Voor alle drie de melkveehouderijen geldt volgens het CBb dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat RVO dat had moeten meewegen in zijn oordeel. Het instrument daarvoor is de hardheidsclausule die het mogelijk maakt om van (dwingende) wetgeving af te wijken als er anders sprake zou zijn van onvoorziene en onredelijke benadeling.Zaak 1In de eerste zaak ging het om de afwijkende afkalfperiode op het bedrijf van Jan Duijndam. Omdat hij al jarenlang laat afkalveren in oktober en november staan er op zijn bedrijf in juli relatief de minste dieren. Daar had RVO rekening mee moeten houden door het gemiddelde dieraantal over 2015 te nemen, aldus het CBb. Het verweer van RVO dat Duijndam dan in 2017 zijn werkwijze maar had moeten aanpassen veegt het CBb van tafel als niet realistisch.Zaak 2In het tweede geval gaat het om een melkveehouder die omdat hij bijna 6,5 hectare grond in België heeft liggen net niet grondgebonden is. Voor het bepalen van de grondgebondenheid telt grond in het buitenland niet mee bij het fosfaatreductieplan. Hij kreeg een heffing opgelegd omdat hij met 50 kilo zijn fosfaatruimte overschreed. Volgens het CBb is het aannemelijk dat hij dat overschot van 50 kilo fosfaat op zijn grond in België had kunnen verwerken. En omdat het bedrijf gevestigd is in een gebied waar het grondgebied van Nederland en België door elkaar loopt, met enclaves over en weer, kan de veehouder in redelijkheid geen heffing worden opgelegd voor een geringe overschrijding, aldus het CBb.Zaak 3In de derde uitspraak gaat het om een veehouder die meedeed in 2017 aan de stoppersregeling. Eind mei 2017 was de veestapel geruimd. Toch kreeg de boer een heffing opgelegd, omdat hij tot dat moment meer koeien hield dan het referentieaantal. Het CBb is het niet eens met de beslissing van RVO. Het strikt volgen van de regeling brengt hier onevenredige gevolgen met zich. “Terwijl door te kiezen voor deelname aan de stoppersregeling heeft de veehouder ruimschoots bijgedragen aan het terugbrengen van de fosfaatproductie in Nederland”, aldus het CBb in zijn uitspraak.Lees ook: CBb fluit RVO opnieuw terug bij fosfaatreductie of CBb: melkveehouder te hard geraakt door peildatum
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









