Basisrantsoen valt en staat bij ruwvoerkwaliteit

Foto: Koos Groenewold

Foto: Koos Groenewold


Wil je reageren? Maak dan gratis een account aan!

Een uitgebalanceerd basisrantsoen is noodzaak voor een optimale productie. Een gelijkmatige BSK over alle productiegroepen is daarbij je maatlat.Een lage Bedrijfs Standaard Koe (BSK) of een wisselende BSK over de lactatiegroepen wordt vaak aan allerlei oorzaken toegeschreven. Een niet uitgebalanceerd basisrantsoen kan er daar een van zijn. Ook een te energierijk rantsoen tijdens de droogstand kan in het begin van de lactatie tot een lagere BSK leiden. Zo zijn er nog wel meer valkuilen, zoals te veel krachtvoer direct bij of na afkalven en te laat de maximumgift krachtvoer bereiken.BasisrantsoenHet basisrantsoen is het rantsoen dat aan alle koeien aangeboden wordt, ongeacht lactatiestadium. Op sommige, veelal grotere, bedrijven zijn er meerdere productiegroepen. Daar worden dan meerdere basisrantsoenen aangeboden. Bedrijven met een melkproductie van boven de 11.000 liter per koe voeren veel krachtvoerachtigen in het basisrantsoen die traag fermenteren. Zodoende voorkomen ze dat koeien pensverzuring krijgen. Tekst gaat verder onder de foto Het basisrantsoen moet ten alle tijden in evenwicht zijn. De ruwvoer kwaliteit is daarin leidend. Je maakt eerst een rantsoen op basis van ruwvoer en vult dat dan aan met krachtvoer. - Foto's: Koos GroenewoldBalansBalans in het basisrantsoen zorgt ervoor dat de koeien na afkalven beter opstarten en de productie langer volhouden, oftewel persistenter zijn. “Persistentere koeien vervetten minder snel aan het einde van de lactatie”, zegt Gijs van de Ven, rundveedierenarts bij Dierenartsenpraktijk Midden-Brabant (DAMB). Eiwit en energie moeten in balans zijn. “Als het eiwit te krap aanwezig is, kunnen koeien aan het einde van de lactatie vervetten, omdat ze dan bijvoorbeeld te veel energie uit mais vreten. In het zuiden van het land speelt dat een grotere rol, want daar wordt over het algemeen meer mais gevoerd.”In theorie is BSK alle lactatiegroep even hoogIn theorie is de BSK van alle lactatiegroepen even hoog, stelt Paul Dobbelaar van Universiteit Utrecht. “Als de BSK van de koeien in de lactatiegroep van 200-305 dagen lager is, dan kan dit een aanwijzing zijn dat het basisrantsoen uit balans is. Andersom is een hogere BSK een aanwijzing voor een betere prestatie dankzij een goed basisrantsoen. Maar het kan ook aantonen dat ze minder goed zijn opgestart”, aldus Dobbelaar.LactatieHet startpunt van het basisrantsoen is bij het afkalven. Een koe die net heeft gekalfd is op basisrantsoen aangewezen. Naarmate zij verder in de lactatie komt, gaat het krachtvoer een groter deel uitmaken van de totale energie- en eiwitvoorziening. Wanneer de pens goed werkt, kan een koe ook in het begin van de lactatie meer krachtvoer verdragen, wat de melkproductie alleen maar ondersteunt.Hoge melkproductie, meer vretenKoeien die tot een hoge melkproductie in staat zijn, vreten vaak meer aan het voerhek dan koppelgenoten. Daarom moet juist voor deze groep de aanvulling in het voermengsel aan het voerhek zitten en niet afzonderlijk in de robot of voercomputer. Dat geldt ook voor andere correcties zoals een suikerrijke grondstof.Koeien die tot een hoge melkproductie in staat zijn, vreten vaak meer aan het voerhek dan koppelgenotenDe koe die het einde van de lactatie nadert, is opnieuw op basisrantsoen aangewezen. In dit geval speelt de vraag hoeveel melk zij uit het basisrantsoen kan produceren. Met een rijker basisrantsoen, dat evenwichtig hoort te zijn in het aanbod van energie en eiwit, kan zij doorgaans een hogere melkproductie bereiken en een betere persistentie.Ruwvoerkwaliteit“Het hele rantsoen valt of staat met de ruwvoerkwaliteit”, zegt Coen van Sterkenburg, rundveespecialist bij AgruniekRijnvallei. De eerste sneden van vorig jaar zijn over het algemeen droger ingekuild. Hierdoor kan er eerder broei ontstaan, wat gevolgen heeft voor de smakelijkheid en de voeropname. Daarom staat de melkproductie nu onder druk. “Het basisrantsoen moet te allen tijde in evenwicht zijn. Je maakt eerst een rantsoen op basis van ruwvoer en vult dat dan aan met krachtvoer. Ruwvoer is altijd de basis.” Voederwaarde en smakelijkheid staan hierin bovenaan.Tekst gaat verder onder de fotoJohan Vlijm (40) is melkveehouder in Nunspeet. De 100 melkkoeien geven gemiddeld rond de 10.000 liter melk per jaar. Alleen noodzakelijke producten voerenJohan Vlijm (40) melkt 100 koeien in Nunspeet. De jaarproductie ligt gemiddeld rond de 10.000 liter melk per koe.

Het basisrantsoen bestaat uit twee derde graskuil en een derde mais. De melkveehouder mengt dit met bierbostel, een meelsoort en mineralen. In de winter voegt hij daar nog perspulp voor meer energie aan toe. Krachtvoer voert hij in de melkstal tot 10 kilo per koe.

“Ik wil het rantsoen simpel houden en alleen producten voeren die noodzakelijk zijn”, zegt Vlijm. “Het is misschien verleidelijk om goedkope producten te kopen, maar het moet wel passen in het rantsoen.”

Door een kort lijntje met de vertegenwoordiger te houden, zijn beiden goed voorbereid als het iets minder goed loopt. Dan probeert de veehouder wel zelf snel te handelen door bijvoorbeeld een iets andere kuil te voeren. “Zelf ben ik niet zo thuis in kengetallen. Het is makkelijk dat de vertegenwoordiger het snel kan uitrekenen.”Pensverzuring en slepende melkziekteZiekten die voorkomen als het rantsoen uit balans is, zijn pensverzuring en slepende melkziekte bij verse koeien. “Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als het droogstandsrantsoen te rijk is, als verse koeien te weinig ruwvoer opnemen na afkalven, of te snel pieken. Andere afwijkingen zijn bijvoorbeeld te zien in de mestconsistentie, zoals heel dikke en heel dunne mest in één koppel, en afwijkende pensvulling. De pens moet altijd goed gevuld zijn”, vertelt Van Sterkenburg.Total Mixed RotationBij een totaal gemengd rantsoen, oftewel een Total Mixed Rotation (TMR), beoordeel je het rantsoen ook op basis van het ureum. “Als deze afwijkend is en de melkproductie van het koppel achterblijft, dan is het basisrantsoen vaak uit balans. Een ureumgehalte tussen de 18 en 20 is ideaal”, aldus Van Sterkenburg. “Mogelijk is het rantsoen dan op een te lage melkproductie ingericht.”Kuilkwaliteit verkeerd ingeschatDe kuilkwaliteit wordt nog wel eens verkeerd ingeschat. Dat is de ervaring van Henri Meuleman, accountmanager bij Twilmij. “Op basis van een kuilmonster wordt een basisrantsoen berekend. In praktijk blijkt een analyse nog wel eens af te wijken van de werkelijkheid. Dan is de kuil bijvoorbeeld zuurder. Kijk daarom altijd zelf naar een kuil en maak een inschatting of de analyse overeenkomt met het werkelijke product”, adviseert Meuleman. Om de voerkosten te drukken, wil je de kuil zo goed mogelijk benutten. Daarom is onder andere smakelijkheid erg belangrijk.Tekst gaat verder onder de fotoDe koe die het einde van de lactatie nadert is opnieuw op basisrantsoen aangewezen. In dit geval speelt de vraag hoeveel melk zij uit het basisrantsoen kan produceren.Krachtvoer en losse voeders“De minimale hoeveelheid krachtvoer die je in de melkstal, voercomputer of melkrobot aanbiedt is een deel van het basisrantsoen. Dit wordt in rantsoenopgaves ten onrechte wel eens weggelaten”, zegt Paul Dobbelaar van Universiteit Utrecht. Daardoor wordt de mogelijke melkproductie uit het basisrantsoen onderschat.De minimale hoeveelheid krachtvoer die je in de melkstal, voercomputer of melkrobot aanbiedt is een deel van het basisrantsoenPaul Dobbelaar, Universiteit UtrechtBij krap zetmeelgehalte in het basisrantsoen: kies dan bij voorkeur voor voeders die zetmeelrijk zijn in plaats van bijproducten die geen of weinig zetmeel bevatten (zoals bierbostel en perspulp). Een hoger zetmeelgehalte is ook juist voor die koe in de eerste twee weken na afkalven gunstig: dat beperkt het energietekort en de vorming van ketonlichamen (die leiden tot slepende melkziekte). Bierbostel en perspulp kunnen juist vanwege een trage fermentatiesnelheid een gepaste keuze zijn.Tekst gaat verder onder het kaderDenk om deze valkuilenVooral een te laag gehalte aan darmverteerbaar eiwit (DVE). De DVE-voorziening beoordeel je niet aan het ureumgehalte: dat is vooral aan de onbestendige eiwit balans (OEB) gerelateerd.Een te traag rantsoen. Dit kan een bewuste keuze zijn om pensverzuring bij verse koeien te voorkomen, maar een te veilig rantsoen drukt de potentieel haalbare productie.Eiwitaanvulling in het voermengsel aan het voerhek. Koeien die meer mengsel opnemen, krijgen dan vanzelf ook meer eiwit binnen.Te veel krachtvoerachtigen in basisrantsoen. Dat geeft grotere kans op een te forse rantsoenswisseling bij afkalven: grotere kans op bijvoorbeeld klauwaandoeningen. Overweeg daarom een aparte groep einde droogstand en/of begin lactatie, al moet de huisvesting zich daarvoor lenen.Ruwvoer met een matige kwaliteit. Kijk dan naar een oplossing op het erf. Bijvoorbeeld een andere kuil erbij voeren. Voer aanpassingen door in de ruwvoerwinning en opslag voor aankomend jaar, om niet weer in dezelfde situatie te raken.Een onvoldoende passend rantsoen voor de groep 0-60 dagen. Een lagere BSK van de verse koeien komt vaak door een te rijk rantsoen in droogstand.‘Aanvulling op basisrantsoen’“Krachtvoer moet een aanvulling op het basisrantsoen zijn. In sommige gevallen is het meer een correctie. Het rantsoen is dan uit balans”, zegt Van de Ven.Soms wordt stro gevoerd in het basisrantsoen om pensverzuring te voorkomen. “Het dient dan voor een stukje veiligheid, echter, vaak is het overbodig of wordt er te veel stro gevoerd. In deze gevallen is er weer extra krachtvoer nodig om het stro te compenseren. Stro verdunt namelijk het energie- en eiwitgehalte van het rantsoen.”

Dit artikel is alleen voor abonnees

Al geabonneerd? 

Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement


Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen

Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen

Vorm je eigen mening met opinies en analyses


Bekijk aanbod

Lees meer over


Snel delen


Sectornieuwsbrief Rundveehouderij


Reacties

Je bent niet ingelogd


Log in of maak binnen 30 seconden een account aan

Reageer op artikelen en deel je mening met anderen.