Rundveehouderij

Partner

Perceel geoogst: mest erop en groenbemester erin

De eerste percelen van oogst 2020 zijn alweer geoogst, binnenkort volgen er meer. Dit betekent volop mogelijkheden om (dierlijke) mest uit te rijden en een groenbemester in te zaaien.

Een aantal praktische tips voor mestaanwending en inzaai groenbemesters op een rij.

Drijfmest onder voorwaarde tot 16 september

Voor het – emissiearm – uitrijden van drijfmest geldt een aantal regels. Drijfmest mag van 1 augustus tot en met 15 september worden uitgereden, mits er uiterlijk 15 september een groenbemester wordt ingezaaid. Deze groenbemester moet minimaal 8 weken blijven staan. Wordt er geen groenbemester geteeld, dan eindigt de uitrijdperiode op 31 juli. Als de groenbemester wordt inzet in het kader van de vergroening, dan moet dit gewas minimaal 10 weken blijven staan.

Vaste mest mag in principe het hele jaar door worden uitgereden op klei- en veengrond. Voor zand- en lössgrond is de periode begrensd tussen 1 februari en 1 september. Vaste mest moet in maximaal 2 direct opeenvolgende werkgangen op het grondoppervlak worden aangebracht en ondergewerkt. Compost mag ook het hele jaar worden uitgereden en kent geen emissiearme uitrijdrestricties.

Keuze groenbemesters

Welke groenbemester (of mengsels van groenbemesters) er wordt gekozen hangt af van het doel waarvoor het wordt geteeld (aanvoer organische stof, aaltjesbeheersing, etc.). Voor dit artikel gaan we er vanuit dat er een keuze is gemaakt en praten we verder over de groenbemester als containerbegrip.

De voordelen van een groenbemesterteelt zijn de extra aanvoer van organische stof (sterk afhankelijk van de gekozen soort) en de extra stikstofruimte (afhankelijk grondsoort). Om voor deze extra gebruiksruimte in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • Groenbemester(mengsel) moet worden gezaaid vóór 15 september en na 1 december worden geploegd (zand-, löss- en veengrond)
  • Groenbemester(mengsel) moet worden gezaaid vóór 15 september en worden geploegd nadat de groenbemester minimaal 8 weken aantoonbaar is geteeld.

 

In dat geval geldt een extra, grondsoortafhankelijke, gebruiksruimte van 50-60 kg N/ha voor een niet-vlinderbloemige groenbemester en 25-30 kg N/ha voor vlinderbloemige groenbemester.

Deze normen gelden overigens niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs. Wordt de groenbemester geteeld na graan, koolzaad, zomerpeen, blauwmaanzaad, karwij en vlas, dan mag er gerekend worden met de stikstofgebruiksnorm van 100%. Wordt de groenbemester na een ander gewas geteeld, dan mag op zand- en lössgrond maar met 50% van de stikstofgebruiksnorm worden gerekend.

Groenbemester na graanstoppel

Een goed uitgevoerde stoppelbewerking en een goede groenbemester zijn belangrijk voor een goede start van het volgend teeltseizoen. Voor een geslaagde groenbemester zijn de volgende zaken van belang:

 

  • Meng de bovengrond (5 – 10 cm) zodanig dat er een goed zaaibed ontstaat en het stro goed gemengd is met de grond. Dit kan bijvoorbeeld met een schijveneg of rotorkopeg.
  • Geef een voldoende hoge N-gift: 30 tot 50 kg N per ha bij een lage N-min voorraad in de vorm van kunstmest (bijvoorbeeld KAS – OCI Nutramon) of een beperkte gift organische mest (bijvoorbeeld 15 tot 20 m3 varkensdrijfmest per ha). De drijfmestgift in de stoppel telt overigens mee in de aanvoer voor de stikstofgebruiksnorm. Voor klei en veen geldt een forfaitaire N-werking van 60%, voor zand en löss van 65%.
  • Als het stro wordt gehakseld, houd dan rekening met een hogere stikstofbehoefte van ± 7 kg N per ton stro (nodig voor de vertering).
  • Zaai tijdig.

 

Een tijdige zaai heeft nadrukkelijk invloed op de stikstofopname door de groenbemester. Om voor een paar groenbemesters een indicatie, zie de nevenstaande tabel. Als vuistregel kan worden aangehouden dat de opnamecapaciteit van groenbemesters vanaf augustus met 1-2 kg N per ha per dag afneemt.

Stikstoflevering groenbemester aan volggewas

De hoeveelheid stikstof die uiteindelijk ter beschikking komt van het volggewas en het tijdstip waarop hangt onder andere af van de verteringssnelheid van het gewas, de grondsoort, de vorstgevoeligheid van de groenbemester en het tijdstip van inwerken.

Bladrijke gewassen met een lage C/N-verhouding verteren snel en de vrijkomende stikstof gaat gedurende de winter voor een deel verloren. Gewassen met een hoger drogestofgehalte en een hogere C/N-verhouding daarentegen verteren langzamer en de N komt dan voor een groter deel beschikbaar voor het volggewas. Hierbij gelden de volgende vuistregels:

 

  • Niet-vlinderbloemige groenbemesters bij onderwerken in de herfst: 40% van de N in de bovengrondse delen komt beschikbaar.
  • Niet-vlinderbloemige groenbemesters bij onderwerken in het voorjaar: 50% van de N in de bovengrondse delen komt beschikbaar.
  • Vlinderbloemigen: 75% van de N in de bovengrondse delen komt beschikbaar bij onderwerken in zowel de herfst als in het voorjaar. Dit hogere percentage komt doordat bij vlinderbloemigen met name de ondergrondse delen in verhouding veel N naleveren.