Home

Nieuws 3 reacties

CBS: flora en fauna boerenland in duikvlucht

Sinds 1900 is het aantal kenmerkende boerenlandvogels met 85% afgenomen, akkerplanten met 35% en graslandvlinders met 80%.

Dat blijkt uit nieuw ontwikkelde tijdsreeksen van natuurindicatoren, berekend door het CBS. Deze cijfers liggen tevens ten grondslag aan het WNF-rapport ‘Natuur en landbouw verbonden’, dat ook donderdag 6 februari 2020 gepubliceerd is.

Als reden noemt het CBS de sterke veranderingen qua productievermogen en landinrichting in de 20e eeuw. Tegelijkertijd is de biodiversiteit van het boerenland over de jaren sterk veranderd.

Boerenlandvogels

Om een trend van aantal boerenlandvogels te geven, zijn de ontwikkelingen van 27 kenmerkende broedvogelsoorten gevolgd van weidevogels én erf- en struweelvogels. Daarvan zijn 20 soorten sinds 1900 achteruitgegaan. Slechts enkele soorten – zoals de putter – zijn tegenwoordig algemener. Typische weidevogels – zoals kievit en grutto – namen in het begin van de 20e eeuw juist toe, maar gingen na 1960 allemaal in gestaag tempo achteruit. Ook na 1990 was die afname nog fors, sinds 1900 tot 2018 ruim 85%.

Daarentegen is de populatie erf- en struweelvogels sinds 1990 juist gestabiliseerd. Toch is in totaal vanaf 1990 deze groep vogels met 60% in aantallen afgenomen. Deze vogels broeden op en rondom boerenerf in heggen, houtwallen en bosjes.

Akkerbloemen

De verspreiding van de Nederlandse akkerbloemen – gevolgd aan de hand van 65 kenmerkende soorten zoals de korenbloem en de klaproos – is sinds 1900 met 35% afgenomen.

Vooral na 1950 nam die daling toe. Volgens het CBS is dat de periode met de grootste verandering in het areaal van de akkers, én het erop verbouwde gewas. Rogge en haver moesten grootschalig plaats maken voor maispercelen voor veevoer. Daarnaast hebben ook zaadzuivering, onkruidbestrijding en intensiever grondgebruik gezorgd voor deze daling.

Graslandvlinders

De verspreiding van de graslandvlinders is gevolgd aan de hand van zeventien kenmerkende soorten, zoals het hooibeestje en het icarusblauwtje. Het voornaamste leefgebied van deze groep is onbemest weiland. Sinds 1900 is deze groep vlinders met 80% afgenomen in voorkomen.

5 soorten namen toe, terwijl 10 soorten in verspreiding afnamen. De oorzaak: niet of weinig bemeste graslanden zijn zeldzaam geworden. Na 1990 is de populatie echter gestabiliseerd. In agrarisch gebied leven deze soorten vooral in akkerranden en bloem(kruiden)rijke graslanden.

Laatste reacties

  • kanaal

    landbouw producten worden door de consumenten gebruikt maar boeren krijgen de zwarte piet.

  • Henk.visscher

    Als ik hier bij ons kijk, dan barst het hier van de vossen, kraaien en andere roofdieren, ik vind het heel jammer dat ig bijna geen weidevogels meer zie, natuurlui, dat hebben we aan jullie te danken, bedankt dat er niet meer natuurlijke vijanden van de weidevogel mogen worden afgeschoten, mooi voorbeeld we hadden vorig jaar weer meer nesten van de kievit en grutto, in het maisland, daar zijn wij zelf niet meer in geweest met machines, allemaal leeggeroofd door roofdieren, en fijn dat wij num de schuld daar van krijgen, wat zijn jullie ongelofelijke slechte mensen, jullie zijn nog slechter dan alle roofdieren bij elkaar.

  • Alco

    Henk. Zoiets stuur ik ook heel vaak als een ingezonden brief naar de Stentor.
    Wordt nooit geplaatst.

Of registreer je om te kunnen reageren.