RIVM: werkwijze IPM-plaagdierbeheersing kan beter

Foto: Ruud Ploeg
Er moet meer duidelijkheid komen over de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen bij de zogenoemde ‘geïntegreerde knaagdierbeheersing’ (IPM-aanpak).Vaak is niet duidelijk wie de regie heeft bij het nemen van maatregelen op bijvoorbeeld boerenerf. Ook moet er meer ingezet worden op preventie, dus: de ruimte schoon houden en geen voedsel voor muizen en ratten achterlaten, vooral ‘s-nachts. Dat concludeert het RIVM in een verkennend onderzoek 'Duurzame en effectieve knaagdierbeheersing', uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Doel van het onderzoek is om knel- en verbeterpunten van de IPM-aanpak aan het licht te brengen.Verschillende beleidsterreinenDe meest genoemde knelpunten in het rapport gaan over samenwerking, preventie en voorlichting. Daar is volgens staatssecretaris Stientje van Veldhoven de meeste winst te halen, zo schrijft ze in een beleidsreactie op het rapport aan de Tweede Kamer. Versnippering van beleid moet te allen tijde vermeden worden. Dierplagen hebben immers met veel verschillende beleidsterreinen te maken. De samenwerking moet verbeterd worden via de Werkgroep IPM knaagdierbeheersing en tegelijkertijd moet helder zijn wanneer mechanisch en wanneer chemisch bestreden moet worden.Preventie heeft prioriteitPreventie heeft prioriteit en kan op veel manieren. Belangrijk op een boerenerf is dat het erf, de stallen en de schuren schoon zijn, vooral ’s nachts wanneer muizen en ratten actief zijn. Ook plekken waar knaagdieren makkelijk kunnen nestelen, moeten opgeruimd worden. Belangrijk hierbij is dat de risico-inventarisatie op orde is, zodat risicopunten op het erf helder in beeld zijn. Naast samenwerking, preventie en voorlichting worden ook de praktische toepassing van IPM op locatie, regelgeving en handhaving, monitoring en de opleiding van plaagdierbeheersers als belangrijke verbeterpunten genoemd. IPM-aanpak sinds 2017Muizen- en rattenbestrijding binnen en buiten gebouwen moet sinds 2017 volgens de IPM-werkwijze. Het doel is om dierplagen, ziekteverspreiding en stalbranden te voorkomen en dat er tegelijkertijd zo min mogelijk gif in het milieu belandt. Daarom focust IPM op preventie, daarna op mechanische bestrijding, en in het uiterste geval op chemische bestrijding. Voor die laatste stap gelden steeds strengere eisen, vooral voor gebruik buiten gebouwen.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









