Klein land, hoge gezondheid

Elke dag wordt de mest uit de kraamstal verwijderd en via de mestpannen onder de zeugen is er minimaal drijfmest in de stal. Minder ammoniak is beter voor het klimaat en de gezondheid. Foto's: Henk Riswick
De Luxemburgse Armand Kreins bouwde enkele jaren geleden een compleet nieuw zeugenbedrijf met volop aandacht voor gezondheid. Produceren in het kleine varkenslandje heeft voordelen, maar in de stallen maken ze zelf het verschil.Luxemburg is één van de kleinste landen van Europa en dat geldt ook voor de varkenshouderij. De teller staat op circa 6.000 zeugen op 50 bedrijven. Per jaar worden 120.000 varkens geslacht. Met 170 zeugen en 1.400 vleesvarkens behoort het bedrijf van Armand en Carine Kreins-Aendekerk tot de gemiddelde bedrijven van het land.Kreins heeft het bedrijf in 1995 overgenomen en toen stonden er alleen vleesvarkens. Jarenlang combineerde hij dat met werk voor een fokkerijorganisatie. In 2008 bouwde hij de eerste stal voor 120 zeugen. Enkele jaren later is de stal uitgebreid tot het huidige aantal en is ook plaatsgemaakt voor vleesvarkens. “Luxemburg kent geen professionele biggenhandel dus we moeten zelf afmesten”, vertelt de ondernemer in aardig Nederlands.De locatie in het heuvelachtige landschap in het noorden van Luxemburg was blanco. Bij het ontwerp van de stal heeft de ondernemer zijn ervaring in de buitendienst goed gebruikt. Aangezien Luxemburg nauwelijks eigen stallenbouw en –inrichting kent is het meeste afkomstig uit het buitenland. Lopend door de stallen somt hij de herkomsten op: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en zelfs uit Canada zijn materialen gehaald.
De opvallende stal met hout en meerdere kappen was niet helemaal een eigen keuze, maar het resultaat van overleg met de gemeente en omgeving. Het gebouw moest in de omgeving passen.Armand (55) en Carine (50) Kreins-Aendekerk hebben in Hupperdange (Luxemburg) een bedrijf met 170 zeugen, 1.400 vleesvarkens en 65 hectare akkerbouw. De zeugen komen uit eigen fokkerij, bestaande uit een zeug van het Franse Pen ar Lan en een Large White. De berenlijn is de Duits/Oostenrijkse Pietrain. De varkens worden geslacht in het slachthuis Ettelbruck. Het bedrijf kent een hoge gezondheidsstatus en is vrij van onder andere PRRS, mycoplasma, App en influenza. De zeugen produceren in de eerste negen maanden van dit jaar 13,9 levend geboren biggen per worp. De varkens hebben een vleespercentage van 61,4%.Gesloten structurenDe beperkte Luxemburgse varkensstapel heeft voor- en nadelen. Het ontbreken van concentraties varkens is in het algemeen gunstig voor de gezondheidsstatus. Ook voor Kreins is dat een belangrijk voordeel. De PRRS-druk in Luxemburg is laag, wat mede te danken is aan de kleine populatie en gesloten bedrijfsstructuren. Dat maakt het voor Kreins gemakkelijker het virus buiten de deur te houden.Er zijn echter ook nadelen. Het land kent nauwelijks een varkensinfrastructuur en is voor bijna alles aangewezen op bedrijven uit België, Duitsland of Frankrijk. De opvallende stal met hout en meerdere kappen was niet helemaal een eigen keuze, maar het resultaat van overleg met de gemeente en omgeving. “Het krijgen van een bouwvergunning is niet zo moeilijk, maar het is het heel belangrijk dat het gebouw in de omgeving past.” Dat maakt bouwen wel wat duurder en kan leiden tot een minder optimaal ingerichte stal.Een voordeel ten opzichte van andere landen is dat Luxemburg geen emissiearme verplichting kent. Ook mest is nauwelijks een probleem, aangezien er overal wel akkerbouw aanwezig is die de mest graag wil. Kreins probeert de kostprijs te drukken door eigen geteeld graan te voeren. Het graan wordt gemalen en met de rest van het rantsoen in meelvorm verstrekt.
De dragende zeugen liggen in ligboxen met uitloop in een groot strohok. Het systeem is bewerkelijk maar de lagere bouwkosten door het weglaten van een mestkelder en hogere dierwelzijn gaven de doorslag.Vanaf het spenen blijven de biggen altijd in dezelfde groep bij elkaar. Een groep kan wel kleiner worden, maar mengen doen ze niet. Op het bedrijf zijn twee typen opfokafdelingen.Status behoudenBij de oprichting van het bedrijf is bewust gekozen voor hoge gezondheid. De status van toen is nog altijd behouden. De ondernemers voeren niks aan, behalve sperma. Ook kennen ze een strikt hygiëneprotocol waarbij niets of niemand ongezien in de stallen komt. Opvallend in de biosecurity is het weren van ongedierte; gaas voorkomt dat vogels binnenkomen en in de constructie van de buitenmuur is een H-profiel bevestigd waardoor muizen of ratten ‘doodlopen’ en dus niet naar binnen kunnen. “In de stallen hebben we geen maatregelen tegen ongedierte nodig.”In het bedrijf wordt maximaal met groepen en all in/all out gewerkt. Via het vijfwekensysteem heeft hij telkens vier groepen van 42 zeugen die rouleren door het bedrijf. Daar zijn de afdelingen op aangepast. Ook bij de vleesvarkens blijven groepen zoveel mogelijk bij elkaar.De continue en structurele aandacht voor gezondheid uit zich in de technische resultaten. Groei en voerconversie zijn goed maar de uitval is uitmuntend; al drie jaar schommelt de uitval tussen de 0,5 en 0,8%, waarbij er genoeg rondes zijn waar nul varkens uitvallen.Varkens verplaatsenGestructureerd werken met oog voor hygiëne gebeurt in het hele bedrijf. De ondernemers hebben goed nagedacht over de inrichting. Zo liggen de dragende zeugen in ligboxen met uitloop in een groot strohok. Het systeem is bewerkelijk, maar de ondernemers sprak het aan vanwege de lagere bouwkosten door het weglaten van een mestkelder en hogere dierwelzijn. Het systeem maakt het mogelijk om één grote dynamische groep te houden.In de kraamafdeling strooien ze elke dag kalk met een hoge pH in de hokken (desical). Na het werpen gebruiken ze een kalk met chloramine, wat minder stoffig is. Het kalkbeleid moet bijdragen aan drogere hokken waarin ziekteverwekkers minder gemakkelijk overleven. Elke dag wordt de mest uit de kraamstal verwijderd en via de mestpannen onder de zeugen is er minimaal drijfmest in de stal. “Minder ammoniak is beter voor het klimaat en de gezondheid.” Overigens zit er in het klimaatsysteem een warmteterugwinning, zodat de binnenkomende lucht altijd geconditioneerd is. Dat bespaart tevens op de energiekosten; die bedragen € 70 per zeug per jaar, inclusief vleesvarkens.Opvallend is de manier van werken bij de vleesvarkens. Om de ruimte optimaal te benutten, worden de varkens meerdere keren verplaatst. Na de opfokafdeling tot 18 tot 20 kilo gaan de varkens naar een vormmestafdeling. Daar blijven ze tot een gewicht van 35 kilo. Vervolgens gaan ze naar een afdeling waar ze tot 60 kilo blijven. Tot slot verhuizen ze naar de afmestafdeling waar ze tot een gewicht van 120 kilo worden gemest. “We doen het vooral vanwege de lagere bouwkosten”, legt de varkenshouder uit. Door de varkens te verplaatsen wordt de ruimte altijd efficiënt gebruikt. Vanaf het spenen blijven de biggen altijd in dezelfde groep bij elkaar; een groep kan wel kleiner worden, maar mengen doen ze niet.
Om de ruimte optimaal te benutten worden de vleesvarkens meerdere keren verplaatst. Dat kost arbeid, maar is gunstig voor de stalkosten per varken. Ze zijn goed ingericht om dit gemakkelijk te doen.Opvallend in de biosecurity is het weren van ongedierte; gaas voorkomt dat vogels binnenkomen en in de constructie van de buitenmuur is een H-profiel bevestigd waardoor muizen of ratten ‘doodlopen’.Eisen aan voedingDe ondernemers leveren de varkens voor het label ‘Marque Nationale’; een Luxemburgs keurmerk. De varkens moeten gemest zijn in Luxemburg en zijn gemiddeld 96 kilo geslacht gewicht, omwille van de productie van droge hammen. Er worden een aantal extra eisen gesteld aan de voeding, waaronder minimaal 60% graan en specifieke vetzuren. Kreins schat dat 80 tot 90% van de Luxemburgse varkens voor dit label wordt geproduceerd. Overigens zijn er sterke relaties met buurland Duitsland. Zo is de Duitse Vereinigungspreis leidend in de prijsvorming en wordt ook vlees in Duitsland afgezet.Mesten voor het Luxemburgse label betekent varkens relatief zwaar maken met behoud van een hoog vleespercentage. De gelten worden gemest tot een gewicht van 100 kilo geslacht; de beren wegen ongeveer 90 kilo geslacht. Naast rassenkeuze is de voeding een belangrijk aspect voor een optimale opbrengst; elke groep vleesvarkens heeft een eigen rantsoen, waarbij veel nadruk ligt op het aminozurengehalte en het energieniveau van het voer. De biggen en vleesvarkens kunnen zowel droogvoer als brij krijgen uit de voerbak, afhankelijk hoe de opname en gezondheid verloopt.Op dit moment ontvangen de ondernemers circa € 1,60 per kilo geslacht gewicht. Met een kostprijs van circa € 1,70 per kilo, inclusief rente en privé, blijft er nu te weinig over. Zonder arbeidsvergoeding ligt de kostprijs rond de € 1,45 per kilo. Met een blijvende focus op technische resultaten en slachtkwaliteit willen de ondernemers ook de komende jaren voldoende rendement realiseren.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









