Economisch belang veehouderijketen wordt minder
Het economisch belang van de veehouderij wordt naar verhouding steeds kleiner, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De omliggende industrie houdt beter stand dan de veehouderij zelf.

Vlees in het been verkopen is niet meer nodig. Er is sinds de verbouwing 100% uitbeencapaciteit.
In 2021 was de hele veehouderijketen goed voor 1,5% van het bruto binnenlands product (bbp). De toegevoegde waarde was in dat jaar € 12,9 miljard, terwijl er bijna 134.000 voltijds banen in de keten waren, ofwel 1,7% van de totale werkgelegenheid in Nederland.Daarmee is het aandeel in het bbp flink lager dan de vrij stabiele 1,6% tot 1,7% in de jaren daar voor. Dat blijkt uit een studie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Onder veehouderijketen verstaan de statistici de primaire sector en zuivel- en vleesverwerking, evenals toeleveranciers zoals de veevoerindustrie. Een van de verklaringen voor de relatieve afname is de verminderde vraag naar varkensvlees vanuit China in dat jaar, aldus CBS. De veehouderij zelf had daarbij te maken met stijgende kosten.
Toegevoegde waarde toeleveranciers en afnemers stabiel
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









