1941: eekschillen voor de looierij

Foto: Misset
Arme dagloners verdienden als seizoenwerker wat bij, veelal op boerenbedrijven. Ze hielpen bijvoorbeeld bij het bieten dunnen, maaien, hooien en oogsten. Maar ze meldden zich ook in juni om te ‘eken’.Eek betekent eik, eekschillen wilde zeggen dan men de schors van de stam schilde. De speciale stoffen daarin werden gebruikt om leer te looien. De foto hieronder uit 1941 laat een groep eekschillers zien.Voor de Tweede Wereldoorlog verdienden arme dagloners in de zomer bij als eekschiller. Daarna kwamen er steeds meer chemische middelen om leer te kunnen looien. - Foto: MissetIn juni was de sapstroom op gang en liet de schors makkelijk los. De eiken werden beroepsmatig verbouwd door bosbouwers, maar stonden ook langs weilanden en akkers. Vandaar dat men het ook wel had over akkermaalshout. Hele gezinnen verlieten tijdelijk hun woonplaats om te gaan ‘eken’. Huisraad en voedsel namen ze mee en soms ook de geit. Soms mochten ze op een boerderij in het stro slapen, soms bouwden ze hutjes in het bos. Het eekschillen was zwaar werk, kettingzagen had men nog niet. De bomen werden met een trekzaag omgehaald, ontdaan van takken en op gelijke lengte gemaakt. Daarna beklopte men de bast net zo lang tot die losliet en men het stammetje zo uit zijn jas kon trekken. Dikke stammetjes werden verkocht voor de mijnbouw, dunnere als brandhout. De dunste twijgen, het rijshout, ging naar bakkers die er hun ovens mee stookten. Dit artikel is te lezen in Boerderij 45 van dinsdag 8 augustus en is onderdeel van de rubriek Zo ging het toen
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









