Zware mesttanks funest voor bodem

Foto: René den Engelsman
Op veel zandgronden zit de bouwvoor te dicht. Lage gehaltes organische stof beperken de veerkracht en zware machines doen de rest.Door verdichting blijven vooral op zand- en zavelgronden opbrengsten achter. Dat komt met name voor als het gehalte organische stof te laag is: Bij 2 tot 4% heeft de bodem geringe veerkracht, waardoor deze eerder in elkaar wordt gedrukt door berijding met zware machines. Hoeveel percelen last hebben van problematische verdichting wordt niet bijgehouden, maar adviseurs en onderzoekers spreken van een groeiend probleem. Het gewas start later in het voorjaar, wortelt niet diep genoeg, er is weinig bodemleven door onder meer zuurstofgebrek en er blijven langer plassen op het land staan. Bouwvoor te hardEen beetje verdichting is meestal tijdelijk en niet erg, zegt WUR-onderzoeker Herman de Boer. “Maar als de beworteling van het gras en het bodemleven er nadeel van ondervinden, dan wordt het problematisch. Dat kan opbrengst kosten.” In de bodem is dat te meten en te zien. Onderzoekers en voorlichters gebruiken een penetrometer om de ‘indringingsweerstand’ te meten. Ligt die bij een goed vochtig bodemprofiel (voorjaar) regelmatig boven 200 (newton per vierkante centimeter), dan komen wortels daar de grond moeilijk in. In een profielkuil van de bouwvoor zie je dan weinig wortels en poriën en de kluiten van deze grond breken langs een scherpe rand af; ‘scherpblokkig’ heet dat. Bovengronds zie je rijsporen en blijven plassen staan na regen, ook in de zomer.Machineontwikkeling gaat alleen maar over sneller en zwaarder. De gevolgen zijn in de bodem te zien, zegt bodemkundige Coen ter Berg. - Foto: René den EngelsmanDe verschijnselen die erbij horen, laten zich wel een beetje raden. Verdichte grond droogt in het voorjaar later op en de groei start dus later. De ondiepe beworteling leidt tot meer gevoeligheid voor droogte en ook tot een minder goede benutting van mineralen uit mest en kunstmest. Met weinig zuurstof en bodemleven blijft de mineralisatie achter, zodat er minder voedingsstoffen beschikbaar komen. Zwaar materieel op verkeerde momentVerdichting staat te boek als een typisch probleem van zand- en zavelgronden, maar kleigronden hebben er evengoed last van. Alleen is het zelfherstellend vermogen van die gronden groter, door zwellen en krimpen, en vaak ook door meer organische stof en bodemleven.De Boer ziet een te laag gehalte organische stof als voornaamste oorzaak van verdichting, vooral bij inzaai van gras na meerdere jaren akkerbouwgewas, maar het werken met zware werktuigen maakt de zaak erger. “Ontijdig mest uitrijden in het voorjaar doet veel schade. De machines zijn zwaar en de draagkracht is in februari en maart nog matig. Ga je op het verkeerde moment rijden, dan heeft dat forse gevolgen en als je oplet, zie je later in het seizoen nog steeds de sporen in het land. In het groeiseizoen worden dat van die banen.” Een zand- of zavelgrond die in het voorjaar wordt dichtgereden, heeft daar de rest van het groeiseizoen en vaak nog jaren later last van. Machineontwikkeling eenzijdigZelfstandig bodemkundige Coen ter Berg spreekt van een chronisch probleem. “De enige ontwikkeling die gunstig is voor de bodem in de afgelopen twintig jaar is de sleepslang. En zelfs die gaan we nu met haspels en tussenopslagtanks weer verzwaren. De machineontwikkeling gaat alleen maar over sneller en zwaarder, er ligt een extreme focus op capaciteit en dat zien we nu overal terug in de bodem.” Zowel eigen mechanisatie alsook mestwagens, opraapwagens en hakselaars van loonwerkers rijden vrijwel altijd met te hoge druk in de banden over het land. “In het land moet de druk omlaag. Maar dat kan bij opraapwagens vaak niet.”Brede trekkerbanden met 0,8 bar en bescheiden machinegewichten, de keuze van Erik Grotenhuis om zijn bodem te sparen. - Foto: Michel VeldermanTer Berg is specialist in bodemkunde en legt zich toe op het begeleiden van individuele boeren en studiegroepen die hun kennis van bodemprocessen willen vergroten. Hij ziet dat veehouders verbaasd zijn als hij met een studiegroep in het land een profielkuil maakt. “Het levert meteen heel veel nieuw inzicht op. Veehouders zijn minder met de bodem bezig dan akkerbouwers en in de grond kijken doen ze zelf eigenlijk nooit. Heb je een keer gezien hoe het moet en doe je het dan op slechte en goede plekken, dan krijg je gevoel voor het verschil en gaat het meer leven.”Woelen soms wel, soms niet lonendBij ernstige verdichting op grasland valt te overwegen om met een woeler de bouwvoor weer losser en luchtig te maken. De Boer deed samen met het Louis Bolk Instituut onderzoek naar de effecten van woelen tot een diepte van 25 centimeter. In voor- en najaar van 2014 werd een verdicht perceel zandgrond in Brabant gewoeld. Dit leverde een verbetering van de bodemstructuur en doorworteling op die tot een jaar na het woelen goed viel waar te nemen. Najaarswoelen leverde bij de eerstvolgende voorjaarsnede een hogere opbrengst op, als gevolg van meer lucht en meer mineralisatie. Maar voor de langere termijn bracht het woelen geen hogere grasopbrengst en stikstofbenutting, zodat het niet lonend was om kosten te maken voor woelen. In lopend onderzoek op een perceel zavel- en zware kleigrond pakken de effecten van woelen begin oktober 2015 anders uit. Op de sterk verdichte zavelgrond is de structuur en beworteling anderhalf jaar later nog duidelijk beter. De opgetelde opbrengsten van maaisneden liggen nu 6% of 1.300 kilo droge stof per hectare hoger dan op niet-behandelde gedeelten. Het effect op de doorlatendheid voor regenwater is spectaculair: de gewoelde veldjes zijn negen dagen eerder droog dan niet-gewoelde veldjes (zie de grafiek hieronder).Metingen in boorgaten dit voorjaar laten zien dat gewoelde zavelgrond negen dagen sneller opdroogt dan onbehandelde veldjes op hetzelfde perceel. Op de zware kleigrond blijkt woelen echter een averechts effect te hebben: de onbehandelde stukken presteren wat beter. Het zelfherstellend vermogen van deze klei was beter dan de behandeling van de woeler. Woelen kun je beter niet nodig hebbenDe Boer meldt een aantal praktische ervaringen met woelen. Bij het woelen op de proefveldjes werd een 150 pk-trekker vervangen door een zwaardere, omdat er te veel wielslip optrad. En hij adviseert om in het najaar te woelen. “Dan is de bodem nog warm en profiteert de wortelgroei van meer lucht. En je mist vrijwel geen opbrengst. Eind september is een gunstige tijd, maar het bodemprofiel moet wel vochtig zijn tijdens het woelen.” De Boer en ter Berg zien woelen als een reparatiemaatregel die je beter niet nodig kunt hebben. “De verschillen tussen bedrijven zijn groot, ook als ze dezelfde loonwerker hebben”, zegt ter Berg. “Het is altijd een combinatie van de bodem en je management. Bij mest uitrijden, maar ook bij inkuilen is het cruciaal dat je de goede timing hebt. Maar het is verder van heel veel factoren afhankelijk. Met goed bodembeheer kun je een heel eind komen, ook bij de huidige mestnormen.”‘Organischestofgehalte is mijn levenswerk’Naam: Erik Grotenhuis (52). Plaats: Dalmsholte (Overijssel). Bedrijf: 85 melkkoeien en 45 stuks jongvee. 52 hectare zandgrond waarvan 10 hectare mais. - Foto: Michel VeldermanErik Grotenhuis boert bij Dalmsholte op zandgrond die hoog tegen de Lemelerberg aan ligt. Het grondwater zit in de zomer 2 meter diep. Het grofkorrelige zand onder zijn percelen heeft toch een gehalte organische stof van gemiddeld 9 à 10% en dat noemt hij zo ongeveer zijn levenswerk. “Voor het vasthouden van vocht in de zomer zijn we afhankelijk van hemelwater en hangwater. Daar is organische stof voor nodig. Vanaf dat ik van school kwam, heb ik er een punt van gemaakt. Ik irriteerde me aan rijsporen en plassen water die lang op het land bleven staan. Ik gingen dingen uitzoeken over bodemkennis. Zo is het begonnen.”Wat hij anders doet, is allereerst in de werktuigenloods te zien. Grotenhuis heeft twee trekkers op meer dan gemiddeld brede banden staan. Een balenpers en een 7 kuubs mesttank rijden ook op breed lagedrukrubber en zelfs de schudder en de hark hebben extra brede banden. “Met eigen materieel heb ik de gewichten en banden helemaal zelf in de hand. De trekkers rijden op 0,8 bar, machines op 1,0 bar. Voor het moment van mest uitrijden of inkuilen wil ik niet afhankelijk zijn van de loonwerker. Het is zeker zo dat die het goedkoper kan en sneller. Maar loonwerkers staan onder druk om snel te werken met groot spul. De banden staan op 2 bar druk. Vooral bij mest uitrijden is dat funest voor de bodem.” ‘De klapper is: de grond niet scheuren’Hij voegde ook drie jaar lang 200 kilo kleimineralen per hectare toe om met de kleiplaatjes het klei-humuscomplex te versterken. Toch is het effect van een andere maatregel veel groter. “De klapper is: de grond niet scheuren. Dat doe ik al twintig jaar niet en het organischestofgehalte stijgt elk jaar. Ik doe zo min mogelijk aan graslandvernieuwing. Maar als het moet, frezen we de bovenlaag en zaaien dan weer in.”Mais verbouwt hij op verder gelegen percelen, maar wel in continuteelt. Wisselbouw mag dan gezonder zijn voor de mais en de bodem, maar het zou betekenen dat hij dan ook bestaand grasland moet scheuren.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









