Telers ervaren onderzaai 2019 fiasco

Foto: Peter Roek

Foto: Peter Roek


Wil je reageren? Maak dan gratis een account aan!

De omstandigheden van dit jaar maken de ervaringen met gelijkzaai en onderzaai in de maisteelt niet erg positief. Een flink deel van de onderzaai is mislukt. Dat leidt uiteindelijk tot een niet goed vanggewas en dubbele kosten.Loonbedrijven zijn negatief gestemd over het resultaat van de onderzaai die dit jaar in mais is uitgevoerd. Dat blijkt uit een belronde van Boerderij onder een aantal grotere loonbedrijven die actief zijn in het oostelijk en zuidelijk zandgebied en op de lössgronden in Limburg.Ongeveer de helft van alle maistelers op zand- en lössgrond heeft onderzaai toegepasst om zeker te zijn dat niet perse vóór 1 oktober moesten oogsten. - Foto: Peter RoekMet de in 2019 ingestelde verplichting dat in de maisteelt op zand en lössgrond op 1 oktober een vanggewas moet zijn gezaaid, hebben veel veehouders voor gelijkzaai of onderzaai gekozen. Het alternatief is kiezen voor een zeer vroeg ras en vóór 1 oktober oogsten. Omdat veehouders hun snijmais willen oogsten als deze rijp is, dus (meestal) niet per se vóór 1 oktober, kiezen ze voor gelijkzaai of onderzaai. In dat geval is het vanggewas dus vóór 1 oktober gezaaid en mogen ze de snijmais op een later gewenst moment hakselen.Gang van zaken bij onderzaaiEerder berichtte Boerderij al over de gang van zaken bij onderzaai. Toen lag de gemiddelde deelname van veehouders voor onderzaai of gelijkzaai op 60%, waarbij het aandeel bij loonwerkers varieerde van 20 tot 90%. De inzaai verliep voorspoedig omdat het land overal goed berijdbaar was. Wel zat er tijdsdruk op. Want door de warmte die begin juni het land binnenkwam groeide de mais enorm snel, en aangezien onderzaai meestal plaatsvindt vlak voor het sluiten van het gewas, hadden de loonbedrijven een tijdsspanne van zo’n drie weken om alle onderzaai uit te voeren.Opkomst wisselendDe opkomst nadien was wisselend. In sommige gebieden was het al (te) droog en kiemde het zaad niet of nauwelijks. Daar waar het zaad wel kiemde, kwam het naderhand vocht tekort, waardoor er ook niet altijd veel van de onderzaai terechtkwam. Deze ontwikkelingen maken dat uiteindelijk na de maisoogst ook onvoldoende gras uit onderzaai aanwezig is, om het veld te laten bedekken in een aantal weken. Voor de meeste loonbedrijven geldt dat toch ongeveer de helft tot driekwart onvoldoende geslaagd is. “Een teleurstellend resultaat”, zo luiden de meeste reacties.Opnieuw zaaien of pleksgewijs reparerenEn alleen de inspanning van maistelers tot het telen van een vanggewas via onderzaai is niet voldoende. Er moet van de NVWA een ‘geslaagd’ vanggewas staan. En dus moesten velen opnieuw gaan zaaien of pleksgewijs repareren. En dat betekent dubbele kosten voor de maistelers. Omdat de meeste boeren daar niet op zitten te wachten, zien ze eerst maar even aan of de onderzaai toch nog tot ontwikkeling komt. Als dan, vaak al ruim na half oktober, blijkt dat het vanggewas onvoldoende ontwikkelt, wordt alsnog naar opnieuw inzaaien gegrepen. Zo werkt de maatregel, die juist dwingt naar tijdige inzaai van een vanggewas, eerder averechts dan stimulerend.Uitvoeren van een onderzaai met zo’n 25 kilo Italiaans raaigras kost al snel ergens rond de € 100 per hectare. Die kosten komen in het najaar bij niet geslaagd vanggewas opnieuw voor de kiezen van de maisteler.De omstandigheden in 2019 waren niet gunstig voor de onderzaai. Uiteindelijk viel het resultaat, met hier en daar wat opgekomen gras, tegen. - Foto: Herbert WiggermanVeel klachtenAl het voorgaande maakt dat de loonbedrijven niet positief gestemd zijn over het eerste jaar dat onderzaai op grote schaal is toegepast. Veelgehoorde klachten zijn dat de tijdsdruk te hoog is om onderzaai op het juiste moment toe te kunnen passen. “Op sommige percelen moet je te vroeg aan de gang, op andere ben je eigenlijk net te laat.” Bij de oogst komen sommige loonbedrijven tekort in hun capaciteit om alle gevraagde opdrachten, hakselen vóór 1 oktober, uit te kunnen voeren. Zo moest een loonbedrijf de hulp van een ander loonbedrijf inroepen om alle mais bij zijn klanten voor 1 oktober te kunnen hakselen. “Dat betekent dat ik mijn klanten zowat naar een collega loonbedrijf jaag. Daarbij kan ik ook niet de bunders draaien met mijn eigen hakselaar die nodig zijn om de kosten van de machine te kunnen betalen om prijsconcurrerend te werken.”Ander punt is dat loonwerkers ook niet gratis kunnen komen werken. “Voor de uitvoering van de inzaai van een nagewas moeten wij nu eenmaal wel een rekening sturen die de arbeidskosten, machine en zaaizaadkosten dekken.”OplossingenDe loonbedrijven weten al wel een ding zeker: de maistelers die dit jaar een onderzaai hebben laten uitvoeren en daar slechte ervaringen mee hebben, gaan dat komend jaar niet opnieuw uitvoeren. Volgens sommigen hebben ze al van boeren gehoord die het er dan maar ‘op aan laten komen’. Andere zullen voor een (zeer) vroeg ras kiezen en vroeg hakselen. Dan komt de capaciteit van het loonbedrijf in het gedrang, omdat iedereen dan in de laatste week van september wil hakselen. In 2018 en 2019 was de mais vrij vroeg rijp door de droge weersomstandigheden, maar wie zegt dat dit volgend jaar ook aan de orde is? En te vroeg hakselen kost opbrengst, vooral zetmeelopbrengst en dat kost de veehouder uiteindelijk nog veel meer. Ander punt is dat dit jaar de vroege rassen al vrij snel uitverkocht waren. “Als er aankomend seizoen nog meer vraag is naar vroege rassen, wie gaat die dan leveren”, vragen sommigen zich hardop af.Geen regelrechte oplossingenRegelrechte oplossingen hebben de loonwerkers ook niet voor de hand. Voor de meesten mag de regelgeving direct weer van tafel. “En als dat gebeurt hebben we weer een machine in de hoek staan van meerdere duizenden euro’s”, zo klinkt het wrang. Met ‘weer’ doelen de loonbedrijven in de investeringen die ze destijds ook deden voor het mechanisch onkruid bestrijden ten behoeve van de toenmalige McSharry-premie. De premie verdween enkele jaren later in de bedrijfstoeslag waardoor de vraag naar mechanisch onkruid bestrijden tot nul daalde.Opschuiven van datumIn elk geval zou opschuiven van de datum van 1 oktober naar 15 oktober al een heel stuk verlichting kunnen geven. Dat is een werkbare datum waarop de meeste veehouders hun mais wel rijp hebben, de bodem kunnen bewerken en een vanggewas kunnen (laten) zaaien. Dat is nog de beste garantie voor een geslaagd vanggewas.Opkomt onderzaai matig tot slecht beoordeeldIn het project ‘Grondig Boeren met Mais’ is het afgelopen najaar een enquête geweest over de ervaringen die maistelers hebben gehad met gelijkzaai of onderzaai dit jaar. Van de ruim 160 reacties, kwamen er 140 van maistelers. De antwoorden hebben betrekking op deze groep.Van de 140 telers heeft 42% ervoor gekozen om niets te doen en nazaai van het vanggewas uit te voeren bij oogst vóór 1 oktober. De resterende 58%, die niet aan de datum van 1 oktober gebonden wil zijn, is verdeeld tussen 14% gelijkzaai en 44% onderzaai.Over de opkomst van de onderzaai zijn de telers niet te spreken. Een op de vijf vindt de opkomst matig en 76% beoordeelt de opkomst als ‘slecht’. Deze uitkomst wordt voornamelijk toegeschreven als een gevolg van de droogte.Strategie van volgend jaarDe resultaten hebben logischerwijs gevolg voor de keuze die de veehouder maakt voor de strategie van volgend jaar. Daarbij geeft 58% aan het volgend jaar anders te willen gaan doen.Van de maïstelers vindt ruim 90% dat de regelgeving rond inzaai vanggewas niet of slecht werkbaar is, belangrijkste reden hiervoor is de datum van 1 oktober die onzekerheid geeft. Kijkend naar de toekomst verwacht 86% van de maistelers gemiddeld genomen een slechtere ontwikkeling van het vanggewas dan in voorgaande jaren (vóór 2019) het geval was.De eerste presentatie van de enquête tijdens de Ruwvoerronde Mais in Hengelo (Gld.). - Foto: Koos GroenewoldPerceptie van de telersJohn Verhoeven, van Projectleider van ‘Grondig Boeren met Mais’ en werkzaam bij Open Teelten van Wageningen University & Research, wil wat betreft de uitkomsten van de enquête, wel toelichten dat de antwoorden de perceptie van de telers weergeeft. “Veehouders hadden de enquête voor de oogst van de mais ingevuld en hebben nog geen ervaring met het beoordelen van een wel of niet geslaagde onderzaai. En het kan goed zijn dat de één een bepaalde opkomst beoordeelt als ‘slecht’, waar de ander ‘matig’ invult. Dat neemt overigens het gevoel niet weg.”Ongunstige omstandighedenVerder vindt hij het jammer dat het eerste jaar, waarbij onderzaai zo breed is ingezet, door de droogte is getekend. “De omstandigheden waren nu eenmaal niet gunstig. De kans bestaat dat veel veehouders meer gaan kiezen voor telen van een vroeger ras en vóór 1 oktober willen gaan hakselen. Hier zit wel een uitdaging. Het weer heeft geen kalender en niet iedereen kan op 28 september terecht bij de loonwerker. Maar zolang in het zesde actieprogramma nitraatrichtlijn staat dat er op 1 oktober een vanggewas moet zijn gezaaid, hebben we er mee te dealen. Het doemscenario is dat, bij massale keuze voor vroege rassen en vroege oogst, we een koud voorjaar krijgen met een wat kwakkelende zomer met voldoende vocht en een natte septembermaand. Waarschijnlijk is de mais of niet oogstrijp op 1 oktober of door slecht weer niet voor 1 oktober fatsoenlijk te oogsten.”

Dit artikel is alleen voor abonnees

Al geabonneerd? 

Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement


Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen

Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen

Vorm je eigen mening met opinies en analyses


Bekijk aanbod

Lees meer over


Snel delen


Sectornieuwsbrief Rundveehouderij


Reacties

Je bent niet ingelogd


Log in of maak binnen 30 seconden een account aan

Reageer op artikelen en deel je mening met anderen.