Expertblog

66 resultaten
Weergave:

Termijn terugvragen BTW uit andere EU-landen verlengd

Premium

Per 1 januari 2010 zijn de regels om btw uit andere EU-lidstaten terug te vragen, gewijzigd.Ondernemers die in Nederland zijn geregistreerd voor btw-doeleinden en btw opgelopen in een andere EU-lidstaat willen terugvragen moeten hiertoe een teruggaafverzoek elektronisch via de portaalsite van de Nederlandse Belastingdienst indienen. Dit elektronische systeem vervangt het vroegere, op papier gebaseerde systeem en biedt enkele voordelen. Zo maakt het elektronische systeem het teruggaafproces voor ondernemers eenvoudiger omdat zij een teruggaafverzoek voortaan alleen nog maar in één lidstaat -de lidstaat van vestiging- hoeven in te dienen en niet meer bij andere lidstaten waar zij btw hebben voldaan. Daarnaast biedt het elektronische systeem ondernemers meer rechtszekerheid doordat het voorziet in strikte termijnen en de betaling van rente als een lidstaat de btw-teruggaaf te laat uitbetaald. Volgens de richtlijn moeten ondernemers hun teruggaafverzoeken uiterlijk 30 september van het kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak bij de lidstaat van vestiging hebben ingediend. Voor de teruggaaf van btw die in het jaar 2009 in rekening is gebracht ligt de situatie iets anders. Een aantal lidstaten hebben hun portaalsites pas laat in 2010 geopend: de laatste portaalsite zelfs midden mei hetgeen ten koste is gegaan van de termijn om een teruggaafverzoek te kunnen indienen. De Europese Commissie vond dit een ongewenste situatie en heeft daarom op 15 juli 2010 een voorstel ingediend om de termijn voor de indiening van teruggaafverzoeken uit het jaar 2009 te verlengen tot 31 maart 2011. De 27 EU-landen hebben hierover op 29 september 2010 overeenstemming bereikt. De website van de belastingdienst bevestigt per diezelfde dag deze eenmalige verlenging van de deadline.Meer informatie: www.belastingdienst.nl, persbericht 29 september 2010

23 feb 2011Opinie

Gestopte boer moet familie twee miljoen euro betalen

Premium

De rechtbank in Breda heeft een gestopte agrarisch ondernemer uit het Brabantse Oudenbosch veroordeeld tot het betalen van 1,9 miljoen euro plus wettelijke rente aan zijn broers en zus.De boer moet de afspraak nakomen, die hij gemaakt heeft toen hij het bedrijf van zijn vader overnam.Als hij zijn bedrijf zou verkopen, moest hij zijn broers en zus laten meedelen in het voordeel. De ondernemer had in de periode van 2000 tot 2006 in totaal 3,7 miljoen euro geïnd door melk- en bietenquota en grond te verkopen. Hij betaalde zijn broers en zus ieder ruim 82 duizend euro. Deze claimden een bedrag van ruim 7 ton per persoon.De rechtbank heeft de vergoeding vastgesteld op ongeveer 6,4 ton per persoon. Daarnaast moet de gedaagde broer bijna 25.000 euro proceskosten betalen.

23 feb 2011Opinie

Fiscus niet gebonden door onjuiste voorlichting

Premium

De Hoge Raad beslist dat onjuiste voorlichting door de fiscus de fiscus in de regel niet bindt. Dit vanwege het belang dat de belastingdienst zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan blijven vervullen.Dit arrest geeft nog maar weer eens aan dat niet zomaar van de voorlichting van de Belastingdienst uit kan worden gegaan. In dit geval echter mocht de fiscus echter geen rente in rekening brengen. Daar verzette het zorgvuldigheidsbeginsel zich tegen. Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad de volgende:Een vrouw heeft voor het jaar 2002 een verzoek om voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting ingediend. Het bleek dat de toelichting bij dit aanvraagformulier een onjuiste/onvolledige mededeling bevatte. De vrouw kreeg bij voorlopige aanslag de algemene heffingskorting tot een bedrag van € 1.648 uitbetaald. Later volgde een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen tot een belastbaar bedrag van nihil. Daardoor bestond ook geen recht op de algemene heffingskorting. De definitieve aanslag leidde tot een terug te betalen bedrag van € 1.509 met daarnaast € 166 aan heffingsrente omdat de echtgenoot van de vrouw slechts € 139 aan inkomstenbelasting in Nederland was verschuldigd. Het oordeel van de Hoge Raad leidde er dus toe dat de vrouw de voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting vrijwel weer geheel moest terugbetalen. Wat betreft de € 166 in rekening gebrachte heffingsrente was de Hoge Raad van oordeel dat de vrouw die niet hoefde te betalen. De toelichting bij het aanvraagbiljet was niet zo duidelijk in strijd met de juiste wetstoepassing dat de vrouw redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen. Ook was niet op andere wijze gebleken dat de vrouw van de onjuistheid van de voorlichting bewust behoorde te zijn. Verder stond vast dat de vrouw uitsluitend als gevolg van onjuiste voorlichting door de belastingdienst ten onrechte de voorlopige teruggaaf had aangevraagd en gekregen. Het is daardoor uitsluitend aan onzorgvuldig handelen van de belastingdienst te wijten dat de vrouw heffingsrente verschuldigd werd in verband met het opleggen van de definitieve aanslag, waarmee deze voorlopige teruggaaf was verrekend. Onder die omstandigheden verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat de inspecteur deze heffingsrente in rekening brengt.Meer informatie: Hoge Raad 24 september 2010, nummer 08/03539

23 feb 2011Opinie

Geen waardedrukkend effect nabijgelegen pluimveeschuur

Premium

Er treedt geen waardedrukkend effect op bij een woning die vlak bij een pluimveeschuur ligt. De WOZ-waarde is volgens de rechtbank op een juiste wijze vastgesteld.Kort samengevat is de uitspraak van de rechtbank Middelburg de volgende:X is eigenaar van een vrijstaande woning in het buitengebied van de gemeente Veere. De gemeente heeft de WOZ-waarde naar waardepeildatum 1 januari 2008 vastgesteld op € 441.000. In geschil is de vraag of deze waarde niet te hoog is en tevens of de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is.Rechtbank Middelburg oordeelt dat in de uitspraak op bezwaar enkele blote beweringen zijn opgenomen. De onderbouwing van deze beweringen had gevonden kunnen worden in de bevindingen van de taxateur, maar deze zijn in de uitspraak niet opgenomen noch daarbij gevoegd. De uitspraak op bezwaar berust mitsdien niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. De uitspraak op het bezwaarschrift dient vernietigd te worden. De rechtbank verwerpt de stelling van X dat geen rekening is gehouden met de ligging van de woning binnen de stankcirkel van het naburige legkippenbedrijf. Uit de berekening van verweerder is af te leiden dat de geurbelasting van het pluimveebedrijf op de woning 2,92 odour units per m³ lucht bedraagt. Dit is zodanig veel minder dan de in art. 3, eerste lid, onder d, van de Wet geurhinder veehouderij bedoelde geurbelasting van 8,0 odour units per m³ lucht, waarbij een vergunning wordt geweigerd voor een veehouderij die buiten een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom is gelegen, dat niet aannemelijk is dat sprake is van stankoverlast. De rechtbank is van oordeel dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is bepaald, alsmede dat op grond daarvan de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand kunnen blijven.Meer informatie: Rechtbank Middelburg, EK, 9 september 2010, nummer AWB 09/995

23 feb 2011Opinie

Grond hoort niet tot ondernemingsvermogen. Winst niet belast.

Premium

Een veehouder die zijn onderneming staakt, is geen belasting verschuldigd over de stakingswinst op een drietal percelen grond.Het (ruilverkavelings)voordeel wordt niet belast.Kort samengevat is de uitspraak van Hof Amsterdam de volgende:Belanghebbende heeft eind 1998 de door hem geëxploiteerde veehouderij gestaakt. In geschil is of, voor de berekening van de stakingswinst, de percelen A, B en C tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoren. Met Rechtbank Haarlem is het hof van oordeel dat belanghebbende op het moment van de staking niet de juridische eigendom bezat van de percelen A en B. Belanghebbende had een gebruiksrecht om niet dat binnen een maand beëindigd kon worden. Dat belanghebbende in de toekomst eigenaar zou kunnen worden van die percelen, maakt niet dat de percelen tot het ondernemingsvermogen moeten worden gerekend. De percelen A en B behoorden op het moment van de staking niet tot het (ondernemings)vermogen van belanghebbende. Perceel C is op geen enkel moment aangewend voor gebruik binnen de onderneming. Perceel C behoorde tot het keuzevermogen en belanghebbende heeft niet de grenzen van de redelijkheid overschreden door dit perceel steeds als privévermogen aan te merken. Daaraan doet niet af dat het perceel is verworven met het oog op het in eigendom verkrijgen van een deel van de gronden die belanghebbende destijds in zijn onderneming gebruikte. Belanghebbende was evenmin verplicht om het toedelingsrecht dat door hem is verkregen bij de inbreng van perceel C in de ruilverkaveling als afzonderlijk te activeren vermogensbestanddeel tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding voor vergoeding van de werkelijke proceskosten van belanghebbende. Het hoger beroep wordt vervolgens gegrond verklaard.Meer informatie: Hof Amsterdam 22 april 2010, nummer 07/00976, LJN BM8208

23 feb 2011Opinie

Hof bevestigt berekening bestemmingswijzigingswinst rechtbank

Premium

De overgangsregeling voor de met ingang van 1 april 1986 aangescherpte landbouwvrijstelling is nog steeds van belang.Dit blijkt uit een recente procedure bij het gerechtshof Amsterdam. Dit hof oordeelt – net als de rechtbank in eerste instantie - dat aannemelijk gemaakt is dat ook niet-agrariërs per 31 maart 1986 interesse zouden hebben gehad in de ondergrond van de bedrijfswoning. Met als gevolg: een lagere belastingheffing. Kort samengevat is de aan Hof Amsterdam voorgelegde zaak de volgende:Belanghebbenden – de erfgenamen van Z – claimen in de IB-aangifte over 2003 van Z een vrijgestelde bestemmingswijzigingswinst van de ondergrond per 31 maart 1986 van € 22.689. De inspecteur houdt hiermee bij het opleggen van de aanslag echter geen rekening. Op grond van een afgegeven beschikking was er volgens de inspecteur namelijk in 1986 geen verschil tussen de WEV en de WEVAB. Hij belast het verschil tussen de WEV en de WEVAB van € 35.000 in zijn geheel. Rechtbank Haarlem oordeelt dat de bestemmingswijzigingswinst op 31 maart 1986 € 11.345 bedraagt. Volgens de rechtbank was de grond namelijk zowel agrarisch als voor bewoning te gebruiken en bedroeg de WEV dan ook meer dan de WEVAB. De rechtbank volgt belanghebbenden niet in hun stelling dat de bestemmingswijzigingswinst op 31 maart 1986 € 22.689 bedroeg. Het taxatierapport dat belanghebbenden hebben ingebracht geeft volgens de rechtbank namelijk onvoldoende inzicht in de WEV en WEVAB per 31 maart 1986. De rechtbank vermindert de aanslag.Hof Amsterdam oordeelt dat belanghebbenden er met het door hen overgelegde taxatierapport in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat ook niet-agrariërs per 31 maart 1986 interesse zouden hebben gehad in de ondergrond. Het hof wijst hierbij op het nabijgelegen Z en stad C. Verder acht het hof van belang dat de boerderij is gelegen in de nabijheid van natuurgebieden met recreatiemogelijkheden. Volgens het hof bedroeg de WEV van de ondergrond op de peildatum dan ook meer dan de WEVAB. Het hof geeft vervolgens aan dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de rechtbank dat de vrijgestelde bestemmingswijzingswinst moet worden vastgesteld op € 11.345. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.Meer informatie: Hof Amsterdam, MK III, 9 september 2010, nr. P08/00721

23 feb 2011Opinie

Emigratieconstrucie met BV strandt bij Hoge Raad

Premium

Een emigratieconstructie met een winstrecht bij een eigen BV strandt bij de Hoge Raad. De eerdere uitspraak van Hof Den Bosch blijft in stand.Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad de volgende:Belanghebbende heeft in 2000 de economische eigendom van grond, ligboxenstal, boerderij, varkensstallen e.d. tegen een winstrecht ingebracht in een bv. Met deze bv gaat belanghebbende een maatschap aan die na een klein jaar weer wordt ontbonden. Belanghebbende emigreert in 2001 naar Denemarken en begint daar een nieuw landbouwbedrijf. Het winstrecht werd niet in het belastbaar inkomen 2000 begrepen.Hof Den Bosch heeft geconstateerd dat in 1999 het gehele melkquotum is verkocht, alsmede het melkvee. De varkensrechten zijn in 2001 verkocht. De opstallen zijn leeg en ontruimd opgeleverd in december 2000. Uit deze feiten heeft het hof geconcludeerd dat er eind 2000 sprake was van een in liquidatie verkerende onderneming en dat het bedrijf in Denemarken niet kon worden gezien als een voortzetting van het Nederlandse bedrijf. Het winstrecht dient in de jaarwinst van het jaar 2000 te worden opgenomen. De strijdigheid met het EG-recht die belanghebbende meent te zien, heeft het hof niet gezien. De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81 Wet RO. De uitspraak van Hof Den Bosch blijft in stand.Meer informatie: Hoge Raad 15 oktober 2010, nummer 09/00436, LJN BM8089

23 feb 2011Opinie

Exploitatie stal voor springpaarden is geen bron van inkomen

Premium

Het gerechtshof Amsterdam oordeelt in hoger beroep in een procedure voor de inkomstenbelasting dat het trainen en verzorgen van paarden van derden geen bron van inkomen is.De kosten zijn daarom niet aftrekbaar.Kort samengevat is de aan het gerechtshof Amsterdam voorgelegde zaak de volgende:Mevrouw X is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met de heer A. Deze is eigenaar van een onroerende zaak, bestaande uit een woning met stallen voor paarden. De woning dient als hoofdverblijf voor het gezin. Hun twee dochters, M en L, zijn geoefende springruiters. M is in 1999 aan huis springpaarden gaan fokken, alsmede het trainen en africhten daarvan. M heeft de stal eind 2000 overgedragen aan X, waarbij ook goodwill is bedongen. Voor 2000 is in geschil of X ib-ondernemer is. Rechtbank Haarlem oordeelt dat X met haar activiteiten niet in enigszins betekenende mate buiten de familiesfeer is getreden. Zo heeft X de stal van M overgenomen tegen een zodanige prijs waardoor M er geen schulden aan zou overhouden. X gaat in hoger beroep.Hof Amsterdam oordeelt dat het trainen en verzorgen van paarden van derden verwaarloosbaar is in verhouding tot de binnen de familiesfeer verrichte werkzaamheden. Veruit het grootste deel van de totale activiteiten die door X werden verricht, vonden namelijk plaats ten behoeve van de paarden van A. De vergoedingen die A meestal betaalde, lagen bovendien meestal ver onder de normale zakelijke prijzen. Het maakt niet uit dat X de eigendom verkreeg van de veulens die uit de paarden van A geboren zouden worden. De stal is geen bron van inkomen, zodat X ten onrechte kosten heeft afgetrokken en een FOR heeft gevormd.Meer informatie: Hof Amsterdam, MK II, 30 september 2010, nr. P08/00788

23 feb 2011Opinie