Mineralen: bemest op maat

Foto: Mark Pasveer
In de bemesting van gras en mais maken tegenwoordig elementen als zwavel en kali naast stikstof en fosfaat het verschil in optimalisering van de gewasteelt.De opbrengst van gras en mais wordt steeds nadrukkelijker bepaald door de bemesting met andere voedingsstoffen dan stikstof en fosfaat. Deze twee zijn (wettelijk) beperkt en veehouders hebben in het laatste decennium goed zicht gekregen op en ervaring met de juiste verdeling van deze elementen. “Kansen liggen er nog in optimaliseren van de bodemtoestand en de bemesting met overige elementen die niet wettelijk begrensd zijn”, stellen Robin Wolf en Arjan Reijneveld, beiden werkzaam als gewas en bodemspecialist/productmanager bij Eurofins Agro in Wageningen. Draagkracht en zuurgraad bodemMet het optimaliseren van de bodemtoestand doelen de specialisten vooral op verdichting en structuur van de bodem. Het is belangrijk dat in het voorjaar lang genoeg gewacht wordt op de draagkracht van de grond. “Te vroeg starten zie je het hele jaar terug in je perceel”, stelt Wolf. Het beïnvloedt direct de ontwatering en doorlaatbaarheid van de grond en ook de hoeveelheid lucht. Dat is belangrijk voor de doorworteling en de ontwikkeling en instandhouding van het bodemleven. Ook de zuurgraad van de bodem heeft invloed op het bodemleven. Daarnaast heeft die invloed op de beschikbaarheid van de voedingsstoffen die in de bodem opgeslagen zijn of gegeven worden via de bemesting met natuurlijke mest en kunstmest. Reijneveld: “Algemeen kan je stellen dat een pH onder 5 nooit wenselijk is, maar ook te hoog, boven 7 moet je niet willen.” Het optimale traject van de zuurgraad ligt tussen 5,5 en 6,5 Met name fosfaat kent een optimum in pH. Bij zowel lage als hoge pH is fosfaat moeilijk beschikbaar.“De basis moet in elk geval goed zijn, anders kan je strooien wat je wilt, maar zal de opbrengst en kwaliteit van je gewas toch suboptimaal zijn”, zo geeft Reijneveld aan. Zwavel en kali bovenaanVoor de bemesting staan zwavel en kali bovenaan als belangrijkste elementen die nodig zijn voor opbrengst en kwaliteit van de grasteelt. Kali wordt voor de eerste snede vaak voldoende gegeven vanuit de drijfmest. Dat geldt niet voor zwavel. Op veel gronden, zelfs op veengrond, is een bemesting met zwavel in het voorjaar zinvol. Vaak is het zwavelleverend vermogen van de bodem hoog genoeg, maar de zwavellevering komt pas op gang als de mineralisatie goed op gang is. Na de eerste snede is er nog altijd de mogelijkheid om bij te sturen met zwavel en dierlijke mest. Kali bijstrooien komt vaak pas bij de derde snede in beeld. - Foto's: Mark PasveerEurofins maakt voor de beschikbaarheid graag gebruik van de metafoor van de voorraad die in de kelder en het keukenkastje staat, en op de tafel voor direct gebruik. Voor de bodem geldt dat van de waarden vermeld op de bodemanalyse het pae-getal vergelijkbaar is met de tafel. De pae-waarde staat voor ‘plant available element’, ofwel, direct beschikbaar voor opname door de plant. De bodemvoorraad komt overeen met de kelder en keuken. De mate waarin de elementen die beschikbaar zijn voor de plant worden aangevuld hangt mede samen met de voorraad in de bodem. Naarmate de mineralisatie vordert, komt er meer vrij voor directe opname.Voor de mineralisatie is warmte nodig. De zwavellevering komt daardoor pas veelal rond eind mei enigszins op gang. Dit is goed af te lezen uit het verloop van het zwavelgehalte in vers gras De aanvoer van zwavel uit de bodem komt pas op gang als ook de mineralisatie volop loopt.Zo kan het dus zijn dat in voldoende zwavelhoudende gronden, zoals veengrond, het toch raadzaam kan zijn om voor de eerste snede een stikstofmeststof te gebruiken die ook nog zwavel aanvoert. Zwavel beïnvloedt niet alleen de opbrengst van grasland, maar is ook een essentieel onderdeel van de eiwitopbouw en daarmee van de kwaliteit, met name van de eiwitten lysine en methionine. “Wie voor de eerste snede geen zwavelhoudende meststof heeft gebruikt, doet er goed aan om vóór de bemesting van de tweede snede te beoordelen of dit alsnog moet gebeuren”, adviseert Wolf. Omdat zwavel een belangrijk element is heeft Eurofins Agro ook de recente pae-waarde ervan toegevoegd op de bodemanalyse.Een mogelijk tekort in de kalivoorziening van het grasland speelt vaak pas in de zomer een rol. “We zijn van vroeger uit gewend geraakt om geen kali meer te strooien. Er zat immers voldoende in de rundveedrijfmest. Maar zowel de hoeveelheid mest per hectare als de concentratie van kali in de mest zijn in de loop der jaren afgenomen.” Dat maakt dat op gronden met een kalitoestand ‘laag tot voldoende’ toch een kalibemesting met kunstmest in de zomer nodig kan zijn. Met name in de maisteelt is een kalibemesting steeds vaker op zijn plaats. Kali speelt een rol in de stevigheid van de plant en in de vochthuishouding.Overige elementenNaast de elementen die van invloed zijn op de gewasgroei zijn er elementen die van belang zijn voor opname door het vee en de diergezondheid. Met name op de zandgronden wordt regelmatig weidezout gestrooid om de smakelijkheid van het gras via aanvullen van natrium op peil te houden. Vaak wordt een gedeelde gift geadviseerd, omdat natrium een uitspoelingsgevoelig element is. Toch kan natrium ook via nalevering uit de bodem vrijkomen. Naast bemesten voor opbrengst en kwaliteit, moet er ook aandacht zijn voor elementen die invloed hebben op smakelijkheid en diergezondheid.Verder wordt op zandgrond ook regelmatig magnesium gestrooid, vaak in de vorm van kieseriet. Reijneveld geeft aan dat voor natrium en magnesium nu zowel de voor de plant beschikbare hoeveelheid (pae) alsook de bodemvoorraad wordt weergegeven op de analyse. “Het lijkt erop dat veehouders steeds meer elementen moeten aanvullen en aankopen. Daar wordt de totale bemesting niet goedkoper van. Maar voor bijvoorbeeld magnesium geldt dat aanvullen soms niet eens nodig is, maar dat dit wel wordt gedaan omdat het van oudsher gebeurde, vaak om kopziekte te voorkomen. Dat laatste komt echter nog maar sporadisch voor en er zijn dus nog wel besparingsmogelijkheden als de bodemanalyse goed wordt gevolgd.”Mais: mest alleen niet genoeg
Het is bekend dat in de loop der jaren de bemestende waarde van rundveedrijfmest is gedaald. De laatste jaren ligt de gemiddelde hoeveelheid stikstof op 4,1 kilo per ton, fosfaat op 1,5 kilo per ton en kali rond 5,5 kilo per ton. Ook is de variatie groot. Het is dus geen overbodige luxe voor gebruik op gras- en maisland te weten wat de mestsamenstelling is. Dan is in elk geval bekend wat via de mest op het land gekomen is. Samen met de bodemtoestand en de gewasbehoefte kan bepaald worden waar aanvulling nodig is.
In de bemesting van mais is het zaak naast stikstof en fosfaat, te letten op de voorziening van borium en kali. Borium wordt meestal met de rijenbemesting meegegeven. Als dat niet gebeurd is, kan een bladbemesting uitkomst bieden. De bladbemesting kan gelijktijdig met de gewasbeschermingsmiddelen gespoten worden.
Zeker zo belangrijk is de kalivoorziening. Via de mest wordt veelal te weinig gegeven: 40 kuub keer 5,4 kilo is 216 kilo zuiver, bij een behoefte van 300 kilo per hectare. Mede afhankelijk van de kalitoestand van de bodem kan aanvullen van kalium nodig zijn voor een optimale opbrengst. Dit gebeurt veelal met kali 60, direct na opkomst vóórdat de maisplant zich opent.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









