Meer aandacht is gunstig voor klauw van melkvee

Foto: Marten Sandburg Fotografie

Foto: Marten Sandburg Fotografie


Wil je reageren? Maak dan gratis een account aan!

Het percentage niet-infectieuze klauwaandoeningen daalt volgens dataregistratiesysteem DigiKlauw. Aandacht voor voeding en huisvesting spelen hierbij een rol.Na uiergezondheid is klauwgezondheid een tweede speerpunt op melkveebedrijven dat op veel aandacht kan rekenen. Voerleveranciers nemen klauwgezondheid steeds vaker op in programma’s, omdat voeding invloed op het voorkomen en verminderen van klauwproblemen heeft. De afgelopen jaren is door internationaal onderzoek ook steeds meer duidelijk geworden over de financiële gevolgen. Want het blijft niet bij die kreupele koe die behandeld moet worden, vaak daalt de melkproductie en herstelt deze zich bij optreden na 100 tot 120 dagen in lactatie moeizaam tot niet. DigiKlauw geeft inzicht in klauwaandoeningenMet de invoering van DigiKlauw in 2007 kwam er meer inzicht in de mate waarin klauwaandoeningen zich voordoen op melkveebedrijven. Daarmee kregen veehouders en klauwverzorgers meer handvatten om aandoeningen aan te pakken. Alleen is DigiKlauw na tien jaar nog geen gemeengoed. Vorig jaar telde DigiKlauw maar 2.000 veehouders die hun bevindingen registreren op het moment van bekappen. Bij de gebruikers is er ook discussie over de vraag bij welke mate van aandoening genoteerd moet worden: al vanaf het kleinste beginnende plekje of pas vanaf een bepaalde afmeting?Twee keer per jaar klauwbekappen werkt preventief. Dreigende probleemgevallen worden zo voortijdig vakkundig behandeld. Om een Mortellaro-infectie goed te kunnen zien, wordt de klauwtussenspleet schoongemaakt met een oude uierdoek. - Foto: Henk RiswickPercentage klauwaandoeningen daaltDe toegenomen aandacht voor klauwgezondheid heeft als gevolg dat het percentage aandoeningen bij koeien en vaarzen afneemt. Al zitten er grote verschillen tussen de diverse aandoeningen, zoals ook blijkt uit de cijfers van DigiKlauw. Opvallend is daarbij dat er ook verschil zit tussen roodbont en zwartbont. Over het algemeen scoren roodbonte koeien en vaarzen een hoger percentage bij zoolbloedingen, Mortellaro, stinkpoot, tyloom en wittelijndefect. Klauwgezondheidsspecialist Menno Holzhauer van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) kan geen duidelijke oorzaak noemen, maar stelt dat de fokkerij van invloed kan zijn. Tegenwoordig wordt van stieren de klauwgezondheidsindex bijgehouden, waarmee veehouders ook op dat gebied de kwaliteit van de veestapel kunnen verbeteren. Aandacht voor transitieperiode werktGrote daler onder de niet-infectieuze klauwaandoeningen is bij zowel vaarzen als koeien de zoolbloeding. Bij de start van DigiKlauw in 2007 had gemiddeld 38,25% van de vaarzen en 38,45% van de koeien last van een zoolbloeding. Tien jaar later is dat gedaald naar respectievelijk 22,75% en 24,1%, wat neerkomt op een derde minder. Bij HF-vaarzen is het percentage zoolbloeding duidelijk gedaald, net als bij HF-koeien. Het is de meest teruggedrongen klauwaandoening.Volgens Holzhauer is dit mogelijk te danken aan de toegenomen aandacht voor de transitieperiode. Veehouders en voerleveranciers hebben duidelijk werk gemaakt van de rantsoenen tijdens en vlak na de droogstand, vanuit de voerleveranciers bijvoorbeeld met speciale programma’s. Klauwendeskundige Holzhauer ziet dit terug in de stal: “Ik heb het idee dat koeien minder afvallen in die periode. Met gewichtsverlies neemt niet alleen de vetvoorraad op bijvoorbeeld de rug af, maar slinkt ook het vetkussentje in de klauw. Daarmee vermindert het schokdempend vermogen op de lederhuid, bij sterk gewichtsverlies verdwijnt dat vermogen zelfs. Dat is de belangrijkste oorzaak van zoolbloedingen.” Liggedrag en boxbedekking positieve invloedDaarnaast speelt de huisvesting een rol. De afgelopen tien jaar zijn de meeste ligboxenstallen vervangen of gerenoveerd. De meeste veehouders kozen daarbij voor in ieder geval langere ligboxen en vaak ook wat bredere boxen. Dit heeft direct invloed op het liggedrag van koeien. Daarnaast heeft de keus voor box­bedekking invloed. Precieze aantallen zijn er niet, maar bij nieuwbouw zijn veel veehouders overgestapt op diepstrooiselboxen en goede, dikke matrassen. Twee zaken die het liggedrag gunstig beïnvloeden. Jan Lievaart van het Nederlands Klauwgezondheidscentrum (NKGC) noemt het toenemende gebruik van detectiesystemen als mogelijke derde oorzaak van de daling van het percentage zoolbloedingen: “Doordat bewegingsdetectoren ook het sta- en liggedrag van koeien registreren, treedt er meer gewaarwording over het liggedrag op. Dat kan veehouders helpen bij het aanpakken van eventuele problemen in een stal.”Zomer zorg voor meer zoolbloedingenNaast de inmiddels bekende periode rond de droogstand als risicomoment voor zoolbloedingen is inmiddels ook duidelijk dat de zomer een lastige periode is. Hoge temperaturen staan niet alleen garant voor een dalende melkproductie, ze kunnen ook opmaat zijn voor een zoolbloeding. Holzhauer: “Door hittestress vreten koeien minder en staan ze bijvoorbeeld langer te lummelen bij een drinkbak in de wei. Dat zie je niet direct terug, maar pas een week of zes later. Dat verklaart waarom we meer gevallen van zoolbloedingen in oktober tot november zien.”Huisvesting blijft aandachtspuntOndanks de flinke daling in het percentage zoolbloedingen blijft huisvesting een belangrijk aandachtspunt. De percentages zoolzweer schommelen al tien jaar rond 4,5 voor vaarzen en 11 voor koeien, al lijken de percentages met name de afgelopen twee jaar wel meer te dalen. Zoolzweren ontstaan vaak vanuit drukplekken, een steentje in de klauw is minder vaak de boosdoener. Holzhauer geeft aan dat rust bij het opdrijven van koeien daarvoor van belang is: “Een drukplek kan ontstaan als een koe zich verstapt, dat doen ze niet uit zichzelf. Het risico op verstappen is bij een opdrijfhek groter. Zeker in grote wachtruimtes moet opdrijven zeer rustig en gedoseerd gebeuren.” Bij HF-koeien is er geen duidelijke daling in wittelijndefect en zoolzweer, net zomin als bij HF-vaarzen. Vanaf 2010 was er zelfs een stijging.De percentages wittelijndefect lagen tussen 2010 en 2014 beduidend hoger dan in de beginjaren van DigiKlauw. De laatste twee jaar lijkt er een daling in te zetten, al stijgt het percentage bij zwartbonte en roodbonte vaarzen met een fractie. Afgelopen jaar had 13,7% van de zwartbonte vaarzen last van wittelijndefect, tegen 12,9% het jaar ervoor. Bij de roodbonte koeien lag het percentage in 2016 met 16,8% 0,4% hoger dan een jaar eerder. De stijging bij wittelijndefect tussen 2010 en 2014 laat zich mede verklaren door overbezetting op veel bedrijven in de aanloop naar een nieuwe stal en de afschaffing van de quotering. Lievaart: “Wittelijndefect doet zich vaak voor in grotere koppels. Er zijn toch meer rangordegevechten, dat duwen en drukken geeft veel extra druk op de klauwen.” Vloeren met een rubberen toplaag of rubberen stroken dragen bij aan een vermindering van wittelijndefect. - Foto: Koos GroenewoldHet gebruik van rubber op de vloer in melkstallen, rond de melkrobot of in de wachtruimte is juist goed voor het tegengaan van wittelijndefect. Het draaien in bochten is door de zachte ondergrond minder belastend voor de klauw. In stallen waar stroken rubber achter het voerhek aangebracht zijn, is duidelijk te zien dat koeien daar juist goed op de klauwen staan en de stroken ook gebruiken als looppad. Percentage Mortellaro stijgt weer ondanks aandachtVanaf de start van DigiKlauw nam het percentage koeien met Mortellaro af. De laatste twee jaar treedt er weer een toename op. Onder rood- en zwartbonte HF-koeien had in 2017 gemiddeld 22,1% van de koeien last van Mortellaro. Dat liep tot 2014 terug naar 20,15%. Alleen de afgelopen twee jaar steeg dat percentage weer naar 24%. Hetzelfde beeld is ook bij de vaarzen te zien. In 2007 had 24,25% last van Mortellaro, dat liep terug naar 23,3% in 2014 en in 2016 was het percentage weer opgelopen naar 25,1%. Ook bij stinkpoot loopt het percentage gevallen sinds 2015 weer op. Het percentage tyloom bij zowel koeien als vaarzen verandert nauwelijks, bij de koeien schommelt dit rond 7% en bij vaarzen rond 2,5%. Een duidelijke oorzaak voor de toename van het percentage Mortellaro en stinkpoot lijkt er niet te zijn. Toch houdt GD-klauwgezondheidsspecialist Menno Holzhauer er rekening mee dat de veelvuldig in nieuwe stallen toegepaste dichte vloeren een rol kunnen spelen. Dichte vloeren zijn uitgevoerd met een mestrobot of mestschuif waardoor de vloer vochtiger kan zijn dan roosters. Daarnaast schuift de mestschuif een flinke hoeveelheid mest voor zich uit waar koeien in komen te staan voordat ze weer op een schone vloer staan. De stijging bij vaarzen laat zich volgens Jan Lievaart van het Nederlands Klauwgezondheidscentrum (NKGC) verklaren door het aanhouden van meer jongvee vanwege de bedrijfsgroei. In tegenstelling tot uitbreiding van de stallen voor melkkoeien is er in veel jongveestallen sprake geweest van overbezetting. De bestrijding van Mortellaro bij jongvee gebeurt niet of nauwelijks, waardoor de insleep van deze aandoening in de melkveestal voortdurend doorgaat. - Foto: Ronald Hissink

Dit artikel is alleen voor abonnees

Al geabonneerd? 

Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement


Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen

Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen

Vorm je eigen mening met opinies en analyses


Bekijk aanbod

Snel delen


Sectornieuwsbrief Rundveehouderij


Reacties

Je bent niet ingelogd


Log in of maak binnen 30 seconden een account aan

Reageer op artikelen en deel je mening met anderen.