Groeien in de achtertuin

Kazachstan steunt de echte boeren, maar kan zich beter richten op de backyard farmers. Daar zit het groeipotentieel. Kijk naar Nederland in de vorige eeuw.In 2003 voerde ik hier in Astana, de hoofdstad van Kazachstan, al eens een studie voor de Wereldbank uit. Ik vroeg het hoofd veeteelt op het landbouwministerie waarom ze $1,2 miljard subsidie gingen geven aan een groep ‘echte’ boeren, die toen verantwoordelijk was voor slechts 10 procent van de totale dierlijke productie. Zijn antwoord: ‘omdat hun productie harder groeit dan die van ‘die anderen’. De productie van onze boeren groeit met 15 procent en van ‘die anderen’ maar met 5 procent per jaar!Klein groepje boeren krijgt subsidieEven rekenen: die groep subsidieontvangers is goed voor slechts 10 procent van de productie. De subsidie geeft dus een groei van 1,5 procent van de productie. ‘Die anderen’ groeien zonder die hulp en tegenwerking met 5 procent over 90 procent van de productie. Dus zonder noemenswaardige kosten groeit hun landbouwproductie met 4,5 procent per jaar.
Het hoofd veeteelt had hier geen antwoord op. En aangezien ‘die anderen’ niet binnen de politieke landbouwstrategie vallen, zou hij nooit het juiste antwoord geven. Stomme investering! Het bewijs daarvan is dat de ‘echte boeren’ nu zeven jaar later nog maar goed zijn voor 8 procent van de productie.Niks veranderd in 20 jaarWie zijn ‘die anderen’ dan? Dat zijn de mensen die de beleidsmakers hier angstvallig niet boer noemen, maar de ‘plattelandshuishoudens’. Er is dus nog niets veranderd sinds de Sovjet-tijden: 90 procent van de melk, meer dan 85 procent van het vlees en meer dan 50 procent van de eieren en pluimveevlees komt nog steeds uit de achtertuin van de gewone man, die nog steeds in die dorpjes op het platteland woont en tegen de stromen van de politiek-economische ontwikkelingen oproeiend nog steeds zijn productiewonder verricht!Miniboerderijtjes in schuurtjesZe werken met schuurtjes waar een Nederlander zijn fiets nog niet zou willen stallen (‘want dan gaat de ketting roesten!’). Die koetjes en varkens, gemengd met allerlei pluimvee en soms nog een paard of twee (her)kauwen in de winter uit vreselijk hooi, stro, wat zemelen en als ze geluk hebben wat gerst het leeuwendeel van de dierlijke productie bij elkaar. Die gerst is trouwens zelf geteeld of ‘geleend’ bij een grotere buurman (sorry Bert: ik ben misschien de laatste communist in dit land). In april strompelen die dieren weer naar buiten, als het gras weer begint te groeien. Dan voltrekt het wonder zich weer. De compensatoire groei zet weer in, de melk komt weer een beetje terug, ma begint weer boter te maken (knalgele meiboter, €5 per kg), zachte kaas (tvorog) en gedroogde karnemelk (qurt). Uiteindelijk geeft dat een melkprijs van rond de €0,50 per liter, twee tot drie keer zoveel als de melkfabriek betaalt (als die al ophaalt in het dorp). De kalveren en pinken gaan naar de verderaf gelegen weiden met een herder tegen betaling van €1 per maand. Daar groeien ze hard. Een verdwaalde stierenpink (zeker geen pinkenstier!) doet, als ma geluk heeft, zijn best op de koeien en het kalf en de lactatie voor volgend jaar zijn weer verzekerd.
Dit is een niet kapot te maken productiesysteem. Het zal met deze generatie mensen toch wel op zijn einde lopen. Sommigen groeien door en registreren zich als ‘echte’ boer.Hoe kunnen deze bedrijven overleven?Ik pieker me suf met mijn ‘chauffeurs’ wat te doen met en voor deze grootste groep om van die 5 procent groei per jaar te verdubbelen of misschien wel te verdriedubbelen. Er is in de eerste plaats behoefte aan meer goed hooi. Daarvoor moeten er maaiers, schudders en persen komen. Ki is onder deze omstandigheden niet makkelijk. Misschien zijn de zogenoemde ‘fokbedrijven’, die of van de staat zijn of met staatsgeld grote hoeveelheden vee uit Amerika importeren (zoals Hereford en Angus) bereid om een seizoen hun stierpinken ‘op vakantie te sturen’ naar deze dorpen. Daar moeten dan wel alle andere stieren en stiertjes gecastreerd worden of ver weg van de koeienkudde gehouden worden. Op deze manier kost het de overheid weinig om de zogenaamde ‘geërodeerde’ genetische basis weer op te krikken richting het vlees dat de overheid wil exporteren.Werktuigen en voorlichterDe meneer in het dorp met een of twee trekkers (die heb je overal nog) kan een lease krijgen voor zo’n pakketje hooimaakwerktuigen, als het dorp het daar mee eens is. Een melkkoeltank, geleased van de melkfabriek of als eigendom van een groep boeren. De melkfabriek kan een voorlichter laten rondgaan met simpele programma’s om melkhygiëne op te krikken (handen wassen, uiers wassen, materiaal met zeep wassen, daarna omspoelen in chloorwater en dan in de zon: ik zie het tante Dika nog doen). En de mogelijkheid om krachtvoer op krediet te verrekenen met het melkgeld, premies voor kwaliteit en vetgehalte.Nederlands voorbeeld uit de vorige eeuwGing het in Nederland ook niet zo in de vorige eeuw? Boeren moesten ook in Nederland leren om samen te werken. Coöperaties zorgden voor eerlijk krachtvoer en boden een redelijke melkprijs. De missing link hier is een dorpspastoor, die mensen bij elkaar brengt en overtuigde om samen te werken. Misschien moeten we toch maar eens met de mollahs gaan praten?
Ach, ook hier zal het ooit wel lukken, maar het blijft wel een gevecht tegen vele bierkaaien. Ideeën genoeg met ‘chauffeurs’ als Bert, Arie, Mink en Leo in de buurt. Blijven geloven!Foto's: Anton van Engelen
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses








