Fokdoel is geen eenheidsworst

Foto: Henk Riswick

Foto: Henk Riswick


Wil je reageren? Maak dan gratis een account aan!

Wereldwijd naar één fokdoel is een te grote stap. Wel zijn er gelijke richtingen in melkproductie en levensduur, maar er blijven regionale verschillen.Vaststellen van één wereldwijd fokdoel loopt niet zo’n vaart, denken fokkerijdeskundigen. Daarvoor is de wereld te divers. In het zoeken naar een gezamenlijk fokdoel kan wel gedacht worden aan het fokken voor regio’s. Die regio’s zijn dan wel groot. Denk aan de Verenigde Staten, Oceanië of Noordwest-Europa. In het algemeen geldt wel dat voor exterieur een bepaald type koe wordt nagestreefd, meldt Joost Klein Herenbrink, global productmanager Holstein bij CRV. “Niet groter dan nu, maar liever iets breder en een spiertje extra.” Fokdoelen verschillen per regio. In Noordwest-Europa zitten daarom andere stieren in het vat dan in de Verenigde Staten. - Foto: Ronald HissinkBij levensduur begint al de eerste discussieFunctionele eigenschappen zijn onbetwist en blijven onafhankelijk van regio overeind. Dat geldt voor melkaanleg, uier en benen. Ook levensduur en vruchtbaarheid passen in dat rijtje. Toch begint daar al de eerste discussie. “De meeste veehouders streven een hogere levensproductie na”, stelt Edwin Boogaard, rundveespecialist bij ABS Heemskerk. “Het is de vraag hoe je dat wilt bereiken. In de Verenigde Staten staat melkaanleg bovenaan. In Europa gaan we juist voor meer levensproductie.” Uiteindelijk komt het erop neer dat een koe die in drie wellicht iets langere lactaties van 13.000 kilo melk een gelijke levensproductie haalt als een koe die vier keer kalft en lactaties maakt van 9.500 kilo melk. Voor de Amerikaanse markt zijn vooral melkstieren in trek. Hoge producties leveren hoge output per koeplaats. - Foto: Henk RiswickGehalten tellen in Europa zwaar meeKlein Herenbrink denkt dat de uitbetaling van de fabrieken in bepaalde regio’s bepalend is. ”In Brazilië bijvoorbeeld kijken ze puur naar liters. In Noordwest-Europa zijn gehalten juist interessanter. Daar houden we in het fokprogramma rekening mee.”Dat bepaalde stieren wereldwijd overal bovenaan staan, betwist Boogaard. “Wij zien dat we een stier als Balisto in de Verenigde Staten niet veel verkopen. Hij staat op een melkproductie van bijna 800 pounds. In de Verenigde Staten moet je zeker 1.000 pounds hebben, anders kun je een stier daar niet goed vermarkten. Er is gewoon geen vraag naar. In Europa kijken boeren meer naar gehalten en daar is Balisto sterk in. De stier is hier daarom veel ingezet als stiervader en keert nu ook regelmatig terug als vader van stiermoeders.” Ook volgens René de Wit, adviseur bij GGI, tellen gehalten in het fokdoel bij veel veehouders. “Mede ingegeven door de lage melkprijs in 2015 en 2016. Veehouders die toen dikke melk leverden, konden de melkprijs nog een beetje in de benen houden.” Huub Peek, adviseur van onafhankelijk fokkerijadviesbedrijf Peek & van der Kroon, ziet dat ook. “Gehalten tellen in Noordwest-Europa. Veel stieren hebben ondertussen +1.000 kilo melk, maar het is ook de vraag of we dat hier willen. Koeien met 11.500 of 12.000 kilo melkaanleg moeten ook passend management en voer krijgen.” Bekijk de fotoreportage: NRM 2017: voldoende variatie dochtergroepenVoldoende goed ruwvoer beperkende factorNu is Peek niet zo bang voor de kwaliteit van de Nederlandse melkveehouder als manager. Hij heeft meer zorg over de kwaliteit van het voer. “Dat ligt niet aan de veehouders, maar met het huidige mestbeleid, waarbij stikstof en fosfaat onder druk staan, is het de vraag of we hier wel voldoende kwalitatief ruwvoer kunnen winnen.” De Wit valt hem daarin bij en vult aan: “We leven in een tijd waarin iedereen over onze schouder meekijkt. Het moet duurzaam, binnen de mestwetgeving en men wil diversiteit en een grutto in de wei zien. Dat heeft consequenties voor de kwaliteit van het ruwvoer en dan wordt voeren van een hoogproductieve koe een extra uitdaging.”Dat heeft gevolgen voor het functioneren van de koe, haar gezondheid en reproductie. Mede daardoor zal in Noordwest-Europa en zeker bij de Nederlandse boer het accent blijven liggen op een acceptabele melkproductie, maar zeker met behoud van gehalten en levensduur. De Wit: “De opfok of aankoop uitsmeren door een hogere levensduur en levensproductie loont echt. Gemiddeld een lactatie extra per koe vraagt flink minder jongvee zodat een veehouder meer koeien mag melken en zijn kosten verlaagt. De gemiddelde productie stijgt dan automatisch mee.”Levensproductie kan uit een hoge productie komen, maar ook uit een lange levensduur. - Foto: Koos GroenewoldDat niet elke stier daarvoor geschikt is, staat voor de foktechnisch specialisten vast. “Het is de vraag of dochters van stieren die gefokt zijn in een intensief systeem het volhouden in een intensief beweidingssysteem, waarbij de dieren vooral afhankelijk zijn van grasopname. Nederland heeft al heel wat weidegang, maar in landen als Ierland of Nieuw-Zeeland is dat nog veel extremer”, zo stelt De Wit.Trend: makkelijk te managen koeienVolgens Gerard Scheepens, directeur coördinatie bij KI Samen is de meest logische volgorde in de fokkerij om eerst naar levensduur te kijken, dan naar productie en gehalten en dan pas naar eventuele verhoging van de melkproductie. “Alleen maar zoeken naar een koe die ouder wordt, is niet het hele verhaal. De koe moet drachtig worden, een laag celgetal hebben en ze moet probleemloos produceren. Hoe we het ook wenden of keren: het Nederlandse bedrijf groeit, al voelt dat nu even niet zo. Schaalvergroting gaat door en dus is er op termijn steeds minder arbeid per koe beschikbaar. Dan moet je een makkelijk te managen koe hebben met een hoge levensproductie en kilo’s vet en eiwit, vooral uit gehalten.”Klein Herenbrink ziet ook meer vraag naar makkelijk te managen koeien. “Die vraag komt ook uit het buitenland. Zo wordt er met interesse gekeken naar relatief nieuwe eigenschappen als voerefficiëntie, klauwgezondheid en ketose.”Kwalitatief goede uiers en benen zijn altijd belangrijk. De koe moet wel blijven lopen. Daarnaast tellen melkaanleg, gehalten, levensduur, vruchtbaarheid en uiergezondheid. - Foto: Henk RiswickScheepens ziet wel een tegenstelling in de ontwikkeling van genomics en de verschillende fokdoelen per land of regio. “In de LPI, TPI, NVI of RZG is de volgorde van stieren steeds anders. Dat is te verklaren uit het feit dat de wegingsfactoren in de totale fokwaarde voor ‘ranking’ per stier per land verschillen. Het ene land legt meer nadruk op melk, het andere juist op levensduur of gezondheidseigenschappen.” Aan de andere kant signaleert Scheepens versmalling in de topgenomics. “De stieren met de hoogste genomics komen voort uit afstammingen met de hoogste genomicsstieren. Volgens mij stapel je dan fout op fout. We zijn in het verleden al eens met de Inet-fokkerij doorgeslagen. Dat was nog te corrigeren. De genomicsfokkerij valt niet meer te corrigeren. Dan moeten organisaties toegeven dat ze jarenlang een foute werkwijze hebben gevolgd. Dat gaat niet gebeuren.”Genomics versus bewezen fokstierenVoor de veehouder is genomics al een ingeburgerd begrip. Klein Herenbrink geeft aan dat de vraag naar genomicgesteste stieren groeit. “Daardoor zijn er steeds meer stieren als InSire Topstier beschikbaar. Alleen de stieren waar nu minder vraag naar is, worden ingezet als Select-stier. Dit zijn vaak stieren met ruim voldoende melk, maar een negatief eiwitgehalte.” Door ze als Select-stier in te zetten, krijgen ze toch genoeg dochters aan de melk. De reden om deze stieren toch een kans te geven, is dat CRV een voldoende breed aanbod van dochtergeteste stieren wil blijven houden, want CRV verwacht dat fokstieren over drie tot vijf jaar nog altijd 35% van het stiergebruik uitmaken.” Ook adviseurs houden vaak nog vast aan bewezen fokstieren. Veehouders zijn bezig met veeverbetering, niet met fokkerij. Peek: “Ze verwachten dat we stieren kiezen die bij hun bedrijfsfokdoel en situatie passen. Als je gericht op die eigenschappen wil fokken, moet je wel met redelijke zekerheid weten wat de stier brengt. Dan heb je met fokstieren de grootste kans van slagen.” Drie jaar geleden tijdens de vorige Natonale Rundvee Manifestatie (NRM) meldde Peek dat hij slechts 10 tot 20% genomicstieren adviseert. “Dat is niet veranderd”, zo meldt hij nu. “De topfokkerij moet stieren voor het brede publiek brengen. De veehouder moet daaruit zijn keuze maken.”

Dit artikel is alleen voor abonnees

Al geabonneerd? 

Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement


Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen

Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen

Vorm je eigen mening met opinies en analyses


Bekijk aanbod

Snel delen


Sectornieuwsbrief Rundveehouderij


Reacties

Je bent niet ingelogd


Log in of maak binnen 30 seconden een account aan

Reageer op artikelen en deel je mening met anderen.