Weinig varkens, toch problemen in Noorden

De varkenshouderij in het noorden telt veel minder bedrijven dan in de varkensprovincies. Dat doet niks af aan de professionaliteit. Foto: Hans Banus
De noordelijke provincies herbergen weinig varkens. Dat is geen garantie voor ontwikkeling. Er zijn wel andere voordelen van veel ruimte.De drie noordelijke provincies (Friesland, Groningen en Drenthe) en Flevoland herbergden in 2016 samen ruim 585.000 varkens en 258 bedrijven met varkens. Dat is respectievelijk 4,7% en 5,8% van het totaal in Nederland, blijkt uit CBS-cijfers. Van deze vier provincies mag Drenthe zich met 262.900 varkens dé varkensprovincie van het Noorden noemen. Daarna volgt Groningen met 162.800 varkens, Friesland met 106.400 varkens en tot slot Flevoland met 53.000 varkens.Vergeleken met andere regio’s heeft het Noorden weinig varkens en varkensbedrijven. Drenthe telt van de vier provincies de meeste varkens.Grootste zeugenbedrijven in polderDezelfde verhouding is te zien bij het aantal varkensbedrijven. Opvallend is niet zozeer dat Drenthe de meeste gespecialiseerde bedrijven met varkens heeft, maar dat dat percentage in Flevoland maar op 23% ligt. Dat betekent dat maar een kwart van alle bedrijven met varkens een gespecialiseerd varkensbedrijf is.Vergeleken met het jaar 2000 is het aantal varkens in Friesland en Drenthe licht gedaald en in Groningen gestegen. Het aantal bedrijven met varkens is overal gedaald, relatief het minst in Groningen en Flevoland. Kijkend naar de bedrijfsomvang heeft Flevoland gemiddeld de grootste zeugenbedrijven (613 zeugen) en Groningen met 336 zeugen de kleinste.Groningen en Drenthe hebben de meeste gemeenten met flink aantal varkens. Vergeleken met Zuiden zijn het kleine aantallen.VleesvarkensBij de vleesvarkens liggen de grootste bedrijven (1.573 vleesvarkens) juist in Groningen en hebben bedrijven in Friesland met 1.077 vleesvarkens de kleinste omvang. Het verschil in specialisatie komt ook terug bij het aantal varkens dat op een gespecialiseerd bedrijf ligt. De specialisatiegraad is bij de drie noordelijke provincies vergeleken met 16 jaar geleden wel wat gestegen, vooral in Flevoland. Toch ligt in die jongste provincie nog altijd 36% van de varkens op een niet-gespecialiseerd bedrijf.Varkens op zandgrondenGlobaal zijn in het Noorden drie typen varkensbedrijven. De traditionele varkenshouderij bevindt zich, net als in andere delen van Nederland, voornamelijk op de zandgronden. Ook daar hebben gemengde veehouderijbedrijven zich steeds verder gespecialiseerd. Het tweede type bedrijf zijn akkerbouwers die een varkenstak erbij houden. Dat zijn in de meeste gevallen vleesvarkens. De derde categorie zijn voornamelijk ondernemers uit het Zuiden die, vaak in samenwerking met een akkerbouwer, varkensbedrijven zijn gestart in het Noorden. Dat is een ontwikkeling van de laatste decennia.Geen concentratiegebiedenVan echte concentratiegebieden is geen sprake. Gebieden met relatief veel varkens bevinden zich onder meer in het Oldambt en het Westerkwartier. Op gemeentelijk niveau telt Emmen (Dr.) de meeste varkens. Met enige afstand volgen Midden-Drenthe, Marum (Gr.), De Wolden (Dr.) en Oldambt (Gr.). De eerste gemeente in Friesland op deze ranglijst is De Fryske Marren; Noordoostpolder heeft de meeste varkens in Flevoland. Gemiddelde cijfers per gemeente zeggen niet zoveel, omdat juist een paar heel grote bedrijven hard doortellen in de statistiek.Noordelijke mentaliteitDat de varkenshouderij in het Noorden veel minder tot ontwikkeling is gekomen, is wel verklaarbaar. Een sterke akkerbouw en melkveehouderij maakten de noodzaak om in andere sectoren te investeren een stuk kleiner dan in het Zuiden en het Oosten. Bovendien is er geen vliegwiel op gang gekomen waarbij voerfabrikanten, handelaren en zeker ook banken faciliteerden en stimuleerden om uit te breiden. Het kan echter niet gezegd worden dat deze bedrijven de noordelijke varkenshouderij helemaal links lieten liggen. “Toen mijn vader in 1968 met varkens begon, werd de bouw ook begeleid door voerleveranciers. Die hielpen wel degelijk mee”, aldus Annechien ten Have, varkenshoudster en ex-LTO-bestuurder in het oosten van Groningen. Wel was het vroeger moeilijker om specifieke kennis en producten te verkrijgen. Tegenwoordig is dat geen beperking meer.‘Een Brabander koopt en gaat naar de bank. Een noordeling gaat eerst rekenen, dan naar de bank en dan kopen’.Ten Have denkt dat de noordelijke mentaliteit heeft bijgedragen aan de beperkte omvang van de sector. “Bij het melkquotum zeiden ze hier altijd: een Brabander koopt en gaat dan naar de bank. Een noordeling gaat eerst rekenen, dan naar de bank en dan pas kopen. Bij de ontwikkeling van de varkenshouderij zal het net zo zijn gegaan.”Volgens Ten Have zijn de praktische verschillen tussen bedrijven in het Noorden en andere delen van Nederland beperkt. Er is een aantal zeer grote bedrijven, veel gezinsbedrijven en bedrijven met varkens als tweede tak. Opvallend is dat de laatste jaren uit dit landsdeel interessante initiatieven komen. Zo is Ten Have bezig met het merk Hamletz, John Lorist in Friesland met Frievar. Ook kent het gebied de laatste decennia een aantal toonaangevende bedrijven met fokkerij en SPF-productie.Varkenshouders in het noorden hebben gemiddeld meer om ruimte om het bedrijf dan in het zuiden of oosten. Het kan gunstig zijn voor de ziektedruk en mestafzetkosten. Foto: Matthijs VerhagenAfspraken in de regioVaak genoemde voordelen van varkens houden in het Noorden zijn de lage kosten voor mestafzet en de lage infectiedruk. Beide kloppen wel, aldus Ten Have, maar verdienen enige nuancering. “Er zijn regio’s in het Noorden waar varkenshouders bijna net zoveel voor mest betalen als in het Oosten of het Zuiden. Vergeet niet dat de melkveehouderij heel hard is gegroeid en rundveemest gemakkelijker is te plaatsen bij akkerbouwers.” Wel biedt de aanwezigheid van akkerbouwgrond meer mogelijkheden om zelf afspraken in de regio te maken, wat dan ook veelvuldig gebeurt.Lagere infectiedrukEen lagere infectiedruk door minder varkens is zeker een voordeel, maar daarvoor geldt dat de feitelijke situatie bepalend is. Ook is gezondheid meer dan alleen de omgeving en is vooral het management belangrijk voor de gezondheidsstatus.‘Kosten van een uitbreidingsprocedure liggen in het Noorden zeker de helft lager dan in het Zuiden’.Een ander vooroordeel is dat varkenshouders in het Noorden weinig last hebben van maatschappelijke kritiek en gemakkelijker kunnen uitbreiden. Lokaal zijn er zeker problemen bij uitbreiding, maar de kans op een overbelaste situatie is een stuk kleiner dan in het Oosten of in het Zuiden. Dat ziet ook Lambert Polinder, omgevingsjurist bij Agrifirm Exlan. “Er zijn zeker weleens problemen bij uitbreiding, maar in het Zuiden is het – gechargeerd – de regel en hier de uitzondering.” Een belangrijk verschil ervaart hij verder met de kosten van een uitbreidingsprocedure; deze liggen in het Noorden zeker de helft lager dan in het Zuiden. “Gemeenten en milieudiensten werken op een ander niveau, meer op hoofdlijnen en vragen minder aanvullingen. Het gaat allemaal wat gemakkelijker.”Groningen op slotTussen de vier provincies zitten wel grote verschillen in ontwikkelingsmogelijkheden, ziet Polinder. Groningen heeft een zeer strikt beleid rondom uitbreiding en zit feitelijk op slot. De provincie is nu nog opgedeeld in drie gebieden, met geen uitbreiding, beperkt uitbreiden of uitbreiden tot 7.500 vierkante meter. Vanaf 2019 mag volgens de Omgevingsverordening helemaal nergens meer uitbreiding van intensieve veehouderij plaatsvinden.In de drie overige provincies kunnen varkenshouders nog wel uitbreiden. Nieuwvestiging is nergens meer toegestaan. Friesland biedt mogelijkheden om boven de 1,5 hectare uit te breiden bij bijzondere bedrijfsvoering zoals SPF. Voor mestverwerking mag een halve hectare extra worden geteld, mits aan een reeks voorwaarden qua inpassing wordt voldaan. Ook in Drenthe geldt in principe 1,5 hectare, maar is onder voorwaarden tot 2 hectare uitbreiding mogelijk.Maatlat Duurzame VeehouderijIn Flevoland is alleen uitbreiding toegestaan binnen het bestaande bouwblok. De gemeente Noordoostpolder heeft sinds vorig jaar (tijdelijk) beleid dat
intensieve veehouderijbedrijven alleen mogen uitbreiden als ze aan de Maatlat Duurzame Veehouderij voldoen. De maximale bebouwde oppervlakte (afmetingen stallen) is dan 7.000 vierkante meter. Bedrijven waar de varkens een tweede tak zijn en de staloppervlakte kleiner is dan 2.500 vierkante meter, krijgen een bovengrens van 4.500 vierkante meter. Polinder: “Lange tijd was er niks mogelijk en hebben de plannen voor uitbreiding stilgelegen. Nu zijn er weer kansen.”Naam: Dick Bunskoek (59). Plaats: Dalverveen (Dr.). Bedrijf: circa 1.200 vleesvarkens voor het Beter Leven-concept en een cateringbedrijf. Foto: Reina de Vries‘We kunnen niet profiteren van de grond’Dick Bunskoek heeft een varkensbedrijf in Drenthe. Hij verwacht geen grote verschillen met de rest van Nederland. Profiteren van grond kan hij echter ook niet.
Nuchtere mentaliteit
Varkens houden in het Noorden bevalt Bunskoek prima. De varkenshouder met vleesvarkens en een volwaardig cateringbedrijf boert in het Zuidoosten van Drenthe. “Het is een mooie regio om te wonen en varkens te houden”, vertelt hij. Het is rustig en buurtcontacten zijn goed. De nuchtere mentaliteit van de noordeling ervaart hij ook bij contacten met de omgeving. “Natuurlijk zijn er in het noorden wel situaties met problemen maar hier mogen we echt niet klagen.”
Stoppers
Als regiovoorzitter van de NVV ervaart Bunskoek dezelfde onzekerheden als in andere delen van het land. “Onderwerpen als mestafzet, ammoniakreductie, de stoppersregeling en asbestsanering leven op dit moment. Maar dat is volgens mij bij alle varkenshouders het geval. Dit deel van Zuidoost-Drenthe had tot enkele jaren geleden best een redelijke varkenshouderij, maar er zijn veel bedrijven gestopt. Vooral gemengde bedrijven die de varkenstak hebben afgestoten, maar ook professionele.”
‘We zitten op de grond hier, maar profiteren er niet van’
Een belangrijk verschil met provincies met veel varkens zou de aanwezigheid van grond moeten zijn. Toch ervaart hij dat niet zo. “We zitten op de grond hier, maar profiteren er niet van. Er komt van heel Nederland mest naar deze regio. Dat begrijp ik, maar het is wel jammer.” Zelf laat hij de mest scheiden en betaalt € 5 tot € 6 voor dunne fractie en € 35 tot € 40 voor dikke fractie. Hij verwacht dat de mestkosten omgerekend gemiddeld rond € 20 per kuub drijfmest liggen. Daar zit dan wel een VVO bij in.
Kennis
Echte nadelen van ondernemen in het Noorden kan Bunskoek zo niet opnoemen. Vroeger was het weleens moeilijk met de prijzen in de varkenshandel mee te kunnen, maar dat maakt nu geen verschil meer. Aansluiten bij een studieclub is lastig, verwacht hij. Maar verder is alle kennis en goederen voor de varkenshouderij net zo beschikbaar als in de rest van Nederland.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









