Vleesvarkens zijn stabiele moneymaker

Foto: Van Assendelft Fotografie
De vleesvarkenshouderij doet het beter dan op het eerste gezicht lijkt. De marges zijn doorgaans constant en voldoende voor de vakman die goed rekent en grip heeft op de kosten.Het perspectief voor de vleesvarkenshouderij in Nederland is welbeschouwd prima. Het is ook beter dan dit op het eerste gezicht lijkt, vertellen deskundigen en boeren. De statistiek onderstreept dit. Het aantal vleesvarkens zit in 2019 op 5,6 miljoen dieren. Dat aantal is weliswaar iets lager dan in 2010, maar het aantal fokzeugen zwaarder dan 50 kilo is in dezelfde periode ook met 100.000 gedaald. De verhouding tussen productieve zeugen en vleesvarkensplaatsen is daarom al jaren gelijk: 5,6 vleesvarkensplaatsen per zeug.De sector wordt ook grootschaliger en dus professioneler. Van de 5,6 miljoen vleesvarkens in Nederland liggen er 4 miljoen op bedrijven met 2.000 varkensplaatsen of meer (zie tabel). Tien jaar gelden zat dit aantal onder de drie miljoen. Dit bewijst dat met enige regelmaat wordt geïnvesteerd in nieuwe vleesvarkensstallen en juist door de bedrijven waar toch al meer varkens zitten.De uitgangspositie van de vleesvarkenshouderij in Nederland is niet verkeerd. Vakmanschap en grip op de kosten maken het verschil tussen bedrijven. - Foto: Hans BanusMargeverbetering gaat verder dan alleen sturen op de opbrengstprijsHet ontbreekt vleesvarkenshouders dikwijls aan een samenhangend rekenmodel om hun saldo te optimaliseren. Het gevolg is dat eenzijdig wordt gestuurd op één of enkele variabelen, zoals voederconversie, groei, minimale gewichtskorting of maximale varkensprijs. Alleen door deze variabelen te bundelen in een geïntegreerd rekenmodel, kan een vleesvarkenshouder het hoogste saldo halen, betoogt Kasper Bekker van Saldo Advies Varkenshouderij.Als de opbrengstprijs van de varkens gelijk of boven het sectorgemiddelde zit, wil niet zeggen dat een varkenshouder een bovengemiddeld saldo heeft. Datzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor de voederconversie. De voederconversie op een bedrijf mag best een tiende hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en de opbrengstprijs van de varkens een cent lager, als de bigkosten 8 cent per kilo zakken door de varkens zwaarder te leveren. De bigkosten bij een prijs van € 72 per big en 90 kilo geslacht gewicht zijn 80 cent per kilo. Bij een aflevergewicht van 100 kilo is dat 72 cent; 8 cent minder. Wat telt is het totaalplaatje, het getal onder de streep. Dat hebben vleesvarkenshouders zelden in beeld, ervaart Bekker.Hierdoor blijft op veel vleesvarkensbedrijven geld liggen. Bedragen van € 10 per plaats of meer zijn geen uitzondering, ervaart Bekker. De belangrijkste knoppen om aan te draaien voor saldoverbetering zijn afleverstrategie, de match varken/afleverconcept, aflevergewicht en eindbeerkeuze. De biggenprijs is doorgaans het sterkst veranderlijk en vraagt daarom het vaakst om aanpassing van de bedrijfsstrategie.Een korte toelichting van de punten:Er wordt te makkelijk gedacht over het afleveren van de varkens, met gevolg dat een groot deel van de varkens niet het optimale aflevergewicht heeft. Door in een rekenmodel het effect weer te geven van elke kilo dat het aflevergewicht wordt aangepast, is het verschil in saldo direct duidelijk;Zwaarder leveren met dure biggen. Met de huidige biggen- en voerprijs is de kostprijs van een kilo vlees ongeveer € 1,50. De voerwinst is dan 30 cent per kilo. De voerwinst van iedere kilo extra vlees is 30 à 40 cent per kilo hoger, omdat de big toch al betaald is. De voer- en mestkosten stijgen wel, maar dit wordt ruimschoots goedgemaakt door het wegvallen van de bigkosten, die momenteel zo’n 80 cent per kilo vlees bedragen. Als een bedrijf dat jaarlijks 12.000 biggen koopt, 10% biggen minder bestelt omdat zwaarder wordt geleverd, scheelt dat bij de huidige prijs € 90.000. (1.200 x € 75);Slordig afleveren kost geld. Ruwweg is het zo dat iedere kilo die een varken boven het kortingsvrije gewicht weeggt, voor niks aangevoerd is. Deze wordt dus niet betaald;Vuistregel is dat voor een goede opbrengstprijs van de varkens de standaarddeviatie van de aflevergewichten niet boven zeven mag uitkomen. Stel het gemiddelde aflevergewicht is 100 kilo dan moet twee derde (68%) van de dieren tussen de 93 en 107 kilo wegen. Bij koppels beren liggen de grenswaarden dichter bij elkaar. Hoe uniformer een vracht varkens, hoe hoger de opbrengstprijs. Een standaarddeviatie van zes is goed, vijf is top. Voor spekdikte mag de standaarddeviatie idealiter niet meer zijn dan 2,5 millimeter en voor spierdikte maximaal 6,5 millimeter;Over het hele koppel gezien moet de gewichtskorting rond een cent per kilo zitten. Indien deze hoger is, loopt deze hard op en brengen de laatste kilo’s vlees geen extra saldo. Minder korting betekent dat te licht is geleverd;Tot slot komt het regelmatig voor dat de karkaskwaliteit niet aansluit bij het afleverconcept. Een andere eindbeer levert in deze situatie zomaar enkele euro’s per varken meer op.Voerwinst lijkt onvoldoendeUitgezonderd 2019 is de gemiddelde voerwinst de jaren ervoor tamelijk constant met circa € 78 per varken op jaarbasis. Dat is € 12 per varkensplaats te weinig om te reserveren voor vervanging en tegelijk alle overige lasten te voldoen. Van bedrijfsgroei is dan nog niet eens sprake. Daarvoor moet de voerwinst nog eens € 10 per plaats hoger liggen; boven € 100. Voor groei is eigen geld nodig, dus is reserveren noodzaak.Maar € 78 is de gemiddelde voerwinst, nuanceert Paul Bens, directeur van DLV-advies. Hierbij zijn de kleinere bedrijven inbegrepen waar varkens een neventak zijn en in de stallen geen vreemd geld zit. Ook is er een groep vleesvarkenshouders zonder opvolger. Zij reserveren niet voor herbouw. Voor deze groep is € 78 voerwinst of minder dikwijls voldoende om van rond te komen. Zolang er voldoende geld is om af te lossen, slaagt deze groep in haar doelstelling om varkensboer te blijven.Herinvesteren is in de vleesvarkenshouderij sowieso minder noodzakelijk dan op zeugenbedrijven. Een doorsnee bedrijf met zeshonderd zeugen moet bij de tijd blijven en de staat van de stallen is daarbij van goot belang. Het ligt dus enorm aan de uitgangssituatie en de toekomstplannen hoeveel voerwinst nodig is om een vleesvarkensbedrijf kortere of langere tijd voort te zetten.Op bedrijven waar vleesvarkens het hoofdinkomen zijn, wordt dikwijls wel voldoende gereserveerd. Deze bedrijven halen een voerwinst van 120% of hoger. Zij kunnen hun stallen bij de tijd houden en geld reserveren voor groei. De groep boeren in Nederland met vleesvarkens is in ieder geval zeer divers, met elk een verschillende kostprijs, uitgangspositie en andere toekomstplannen.Cars Huisman (50) houdt op twee locaties in Nederland en één in Duitsland vleesvarkens. Een Nederlands bedrijf heeft hij samen met twee neven. - Foto: Hans Banus‘De beste reserve zit in je bedrijf, we krijgen een dip’Voor bedrijven met voldoende omvang en een scherpe kostprijs ziet varkenshouder Cars Huisman toekomst in de vleesvarkenshouderij. Omvang vindt hij vooral belangrijk om zijn bedrijven efficiënt te runnen. Huisman houdt al bijna dertig jaar vleesvarkens. Hij begon in 1992 met 1.680 dieren. Dit aantal groeide tot 27.000 nu.Huisman is van oudsher akkerbouwer. Hij geniet echter niet minder van de varkens. Op zijn bedrijven wordt het voer zelf gemaakt. Met de varkens op de Nederlandse bedrijven produceert hij voor het lange-staartenconcept van Tönnies Fleisch. Huisman: “Zelf voer maken en krulstaarten brengt extra dynamiek met zich mee. Vroeger was het vooral zo goedkoop mogelijk produceren. Nu is het zo goed mogelijk, uiteraard met aandacht voor de kosten.”De jongste stal telt vijfduizend plaatsen. Deze is sinds 2018 in gebruik. De resultaten uit het verleden zijn voor Huisman doorslaggevend om de varkenstak uit te breiden. De toekomst blijft ongewis. Zolang er geld wordt verdiend met de varkens, durft de Groninger te investeren.De varkensmarkt is nu goed. Niettemin is Huisman voorbereid op een dip, die vroeger of later komt. Huisman: “De huidige, hoge varkensprijs zie ik als een ‘lening’ van de markt. Hoe dat eruit gaat zien, weet ik niet, maar we krijgen te maken met een enorme dip. En het zal mij niet verbazen als we in Duitsland of Nederland ook te maken krijgen met Afrikaanse varkenspest.”De varkenshouder is voorbereid op een marktdip, zegt hij. Hij zorgt voor voldoende reserve op de bankrekening en dat zijn stallen bij de tijd en goed onderhouden blijven. Huisman: “De beste reserve zit in je bedrijf. Een goed draaiend bedrijf met een scherpe kostprijs wordt van belang bij een prijsdal. Dan ben je ook blij met een concept. Het grootste financiële risico zit echter bij de fokker. Als de vleesprijs instort, gaat de biggenprijs ook onderuit.”De relatief dure biggen maken het varkens houden voor Huisman niet onmogelijk. Het duurt soms even, maar uiteindelijk stijgt de varkensprijs ook, ervaart hij. De opbrengstprijs van de varkens wordt wel steeds belangrijker. Huisman: “Voor een gezonde big moet je de portemonnee trekken.” Om dan genoeg geld uit de markt te halen, zijn concepten ook belangrijk, sluit hij af.Bedrijsgegevens20.000 vleesvarkens in Nederland7.000 vleesvarkens in Duitsland (Tierwohl-label)155 hectare akkerbouwKostprijsAan goede biggen hangt een prijskaartje. Volgens cijfers in de prijsmonitor van Wageningen UR bedroeg de gemiddelde biggenprijs in de jaren 2000-2009 € 36,82. In de afgelopen tien jaar was de biggenprijs gemiddeld € 44,25; een stijging van € 7,50. De varkensprijs is in het afgelopen decennium echter ook flink hoger dan in de periode 2000-2009. Deze was afgelopen tien jaar gemiddeld € 1,42 per kilo; 19 cent hoger dan voorgaande periode in deze vergelijking. Volgens deze indicatieve cijfers wordt de prijsstijging van biggen vertaald in gestegen vleesvarkensprijzen.René Veldman, sectormanager varkens van Rabobank, heeft zich een tijd afgevraagd of de biggenprijs te hoog werd voor de vleesvarkenshouderij in Nederland. Deze zorg is minder. Veldman: “Een vleesvarkenshouder die dure biggen oplegt, moet wel goed draaien, maar het kan wel. Biggen zijn relatief duur, maar de prijs vormt geen breekpunt voor de vleesvarkenshouderij. Het ligt aan het totaalplaatje, het totaal van de kosten. En ik ben hoe dan ook een enorme voorstander van goede biggen.”Dat door de krimp van de Duitse zeugenstapel alle goede Nederlandse biggen de grens over gaan, is niet iets waar Paul Bens zich grote zorgen over maakt. De vleesvarkenshouderij in Duitsland staat net zo goed onder druk, signaleert hij. Daarnaast is afgelopen jaren de plus op de vleesprijs in Duitsland verdampt. Daardoor vlakt het prijsverschil voor biggen ook af. Bens verwacht niet dat de Duitse vraag naar importbiggen significant zal groeien.Bens is evenmin van mening dat Nederland het qua kostprijs niet redt. Bens: “De bedrijven die technisch en financieel top draaien in Nederland, hebben een kostprijs die vergelijkbaar is met Spanje.” De Spaanse integraties gaan uit van een kostprijs van € 1,05 per kilo levend gewicht. De ‘toppers’ in Nederland kunnen voor € 125 een varken produceren dat 120 kilo weegt. Het big kost € 45, € 55 voor voer en de laatste € 25 is voor mest, stal en gezondheid. Wel zijn de kostprijsverschillen tussen bedrijven in Spanje veel kleiner dan in Nederland.De Nederlandse slachterijen hebben een inhaalslag gemaakt ten opzichte van de Duitse. De varkensprijzen in beide landen liggen tegenwoordig redelijk bij elkaar. - Foto: Henk RiswickSaldo bepaalt leencapaciteit bedrijfHet belangrijkste criteria voor het krijgen van een geldlening is de verdiencapaciteit van een bedrijf, benadrukt Veldman van Rabobank. Dus verdient de varkenshouder voldoende om de lening binnen de geplande tijd terug te betalen. Daarbij wegen de resultaten van de afgelopen jaren zwaar. Ook Bens signaleert dat banken meer nadruk leggen op aflossingscapaciteit dan op de reserveringscapaciteit, gebaseerd op afschrijvingen.De looptijd van een lening is meer dan voorheen een punt van aandacht. Doordat veranderingen in de wetgeving en marktvraag elkaar in steeds sneller tempo opvolgen, is het onlogisch te verwachten dat een schuur 25 jaar meegaat, zonder enige aanpassing. Het is niet zeker of mestopslag onder de stal op termijn nog kan en mag, om een voorbeeld te noemen. Veldman: “Je kunt er niet vanuit gaan dat een stal net als voorheen weer 25 jaar op dezelfde wijze wordt gebruikt.”De bedrijfseconomische levensduur van een stal wordt dus korter. Dan is het logisch de looptijd van een lening ook te verkorten, zodat beide zaken in evenwicht blijven. Dat hoort op een financieel gezond bedrijf.In bepaalde gevallen kan het niet erg zijn om een langere looptijd af te spreken voor een lening. Bijvoorbeeld als de schuldenlast laag is. Of als de ondernemer geen opvolger heeft en er geen plannen zijn op termijn grote investeringen te doen.Voorkeur voor bestaand bedrijfEen nieuwe vleesvarkenslocatie ontwikkelen gebeurt zelden. Daarbij is het een hele uitdaging om de stichtingskosten onder de € 700 per plaats te houden, weet Bens. “Een bedrijfswoning staat er dan niet eens bij.” Daarentegen zijn bestaande, goed onderhouden vleesvarkensbedrijven gewild. Het gaat daarbij om bedrijven waarvan vergunningen in orde zijn en de nieuwe eigenaar vrijwel geruisloos door kan boeren, legt Veldman van Rabobank uit. Het voordeel van zo’n locatie is dat de nieuwe eigenaar dan weinig risico loopt.Kopers voor bestaande bedrijven zijn vleesvarkenshouders die willen uitbreiden of zeugenhouders die hun eigen biggen willen afmesten. Met een eigen vleesvarkensbedrijf ben je als zeugenhouder minder kwetsbaar voor perioden van lage biggenprijzen of een grenssluiting door dierziekten.Bedrijfsovername gebeurt ook nog steeds. Hoewel de gemiddelde omvang van de vleesvarkensbedrijven ook groeit, vormt kapitaal geen onneembare hobbel voor een overname. Veldman: “Natuurlijk moet bij een groter bedrijf meer eigen vermogen aanwezig zijn. Maar grotere bedrijven draaien financieel vaak ook bovengemiddeld, zodat er meer geld binnen komt. Een overname komt niet vaak voor, maar is in beginsel niet moeilijker dan voorheen.”Evert Hendrix (51) houdt met zijn vrouw Carolien 500 zeugen in Lottum (L.). Beoogt opvolger Luuk Winkelmolen heeft de dagelijkse leiding over het vleesvarkensbedrijf. - Foto: Van Assendelft Fotografie‘Continuïteit en blijven investeren vinden wij erg belangrijk’Varkenshouder Evert Hendrikx kocht eind vorig jaar een vleesvarkensbedrijf in het naburige Sevenum. Hij behoort daarmee tot de groep vermeerderaars die langer of korter geleden besloot de eigen biggen af te mesten. Hij voert diverse redenen aan voor deze keuze, zoals het verminderen van risico’s. Met een eigen vleesvarkenstak hoeft Hendrix zich geen zorgen te maken dat hij om welke reden dan ook met biggen blijft zitten.De varkenshouder vervolgt dat hij veel investeerde in de diergezondheid op zijn zeugenbedrijf. Desondanks valt het hem tegen de meerwaarde van een gezond koppel biggen tot uiting te brengen in de opbrengstprijs ervan. Hendrikx: “Gezonde biggen verkopen zich altijd vanzelf. Maar het is nog lastig de goede diergezondheid tot waarde te brengen.”Arbeidstechnisch biedt een gesloten bedrijf ook voordelen. Bij de zeugen wordt gewerkt met een vierwekensysteem. Twee weken is de aandacht sterk gevestigd op de zeugen. De andere twee weken staan in het teken van varkens leveren en de stal gereed maken voor een nieuw koppel biggen. Dan begint het weer van vooraf aan.Als laatste argument denkt de varkenshouder de kosten te kunnen verlagen. Bij de verkoop van biggen is een aantal vaccinaties een vanzelfsprekendheid. Mogelijk kan het aantal omlaag, omdat de kiem waartegen wordt gevaccineerd geen ziekteverschijnselen geeft. Hendrikx: “We volgen nu de varkens van geboorte tot de slacht.”De Limburger heeft vertrouwen in de vleesvarkenstak. Wereldwijd blijft varkensvlees gevraagd. Hij houdt er tevens rekening mee dat door overheidsingrijpen de Nederlandse veestapel krimpt, met gevolg afnemende druk op de mestmarkt. De mestkosten zetten Nederland op achterstand, vindt Hendrikx.Het onlangs aangekochte vleesvarkensbedrijf heeft voldoende ontwikkelmogelijkheden. Dat vindt Hendrikx erg belangrijk: “Continuïteit vinden wij erg belangrijk. We willen blijven investeren in het bedrijf en willen dit bij de tijd houden. Anders lopen je marges op termijn achteruit. Mijn voordeel is dat ik niet van boerenkomaf ben ik. Ik ben daarom niet gehecht aan een locatie.”Bedrijsgegevens500 zeugen140 opfokzeugen5.000 vleesvarkensplaatsenBlijven rekenenBens ziet het positief in voor de vleesvarkenshouderij in Nederland. De vraag naar varkensvlees is wereldwijd goed. Dierziekten spelen daarbij een grote rol. Tevens weerhouden dierziekten investeerders ervan om geld te steken in varkensvleesproductie. Dat is te onzeker. De markt is constant, met af een toe een aanboddip en dus hoge opbrengstprijzen. Tenslotte is de achterstand die Nederland had ten opzichte van Duitsland in de verwaarding van het vlees voorbij. Nederlandse slachterijen betalen een concurrerende varkensprijs, constateert Bens.Grote financiële uitschieters maakt de vleesvarkenshouderij niet. Het is daarom zaak goed stil te staan bij de uitgaven, maar ook bij de verwaarding van de varkens (zie kader). Op veel bedrijven blijft nogal wat geld liggen. Volgens Bens zijn vleesvarkenshouders nog onvoldoende bezig om hun verdiensten te verbeteren. Zeugenhouders rekenen al vaker aan hun resultaten.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









