Varkenshouderijen worden groter en specialistischer

Foto: Bert Jansen
De varkenshouderij is sinds de varkenspestcrisis eind vorige eeuw erg veranderd. Er zijn minder bedrijven, maar ze zijn groter en veel professioneler.3 decennia geleden was varkenshouderij een veel minder professionele bezigheid dan vandaag. Weliswaar kende Nederland gespecialiseerde varkensbedrijven, maar ook veeboeren, akkerbouwers en boeren met gemengd bedrijf hielden enkele tot zeer veel varkens. En, in een ‘varkensdichte’ provincie als Noord-Brabant was het niet ongewoon om naast je gewone werk als bijvoorbeeld bouwvakker een paar honderd vleesvarkens te houden. 5 jaar voor de eeuwwisseling was een derde van de ruim 14 miljoen varkens in Nederland te vinden buiten de specifieke varkenshouderij. Sindsdien is er een ontwikkeling ingezet van specialisatie en schaalvergroting. SpecialisatieOmdat varkens houden een wijd verbreide activiteit is, zijn harde gegevens over de ondernemingen schaars. De mate van professionaliteit is niettemin af te leiden uit de inschrijvingen van boeren in het handelsregister. Hiervan geeft het CBS gegevens vanaf 2000. In 2000 stond van alle bedrijven met varkens 53% te boek als gespecialiseerde varkenshouderij, zeugenhouderij of vleesvarkensbedrijf. Anno 2017 was dat al 69%. In de 5 jaren voor 2000 is het bed flink opgeschud. De uitbraak van varkenspest in 1997 trok een diep spoor. Als gevolg van ruimingen en financiële malaise bij veel betrokken boeren liep de totale varkensstapel terug van 14 miljoen varkens in 1995 naar 13,1 miljoen 5 jaar later. Die teruggang bleek uiteindelijk geheel te vinden bij de bedrijven buiten de specifieke varkenshouderij. In 1995 hadden deze nog 4,8 miljoen (34%) van alle varkens in huis, in 2000 nog 3,8 miljoen. De gemiddelde omvang van varkenshouderijen is sinds de eeuwwisseling sterk gegroeid. Schaalvergroting en professionalisering bleken noodzaak. - Foto: Bert JansenBij de ‘echte’ varkenshouders herstelde de stapel zich wel, maar het duurde niet lang. Ook het Europa-brede MKZ-drama van 2001 heeft erg huisgehouden. In Nederland werd op grote schaal vee geruimd. Hiervan herstelde de varkenssector veel minder, zowel qua omvang van de veestapel als wat betreft het aantal bedrijven. De zwakke broeders vielen af, de overgebleven bedrijven hielden hun economische omvang vast. Dat was met moeite, in jaren met sterk dalende vleesvarkens- en biggenprijzen. Pas in 2005 zette wat dat betreft voorzichtig enige verbetering in. De afzetmarkt voor biggen groeide, vooral in Duitsland en Oost-Europa. Voor afzet van vleesvarkens speelde de enorm groeiende varkensvleesexport van Duitsland een rol.Omzet stabiel, minder bedrijvenVarkenshouders konden zich alleen handhaven door vaste kosten te drukken. Schaalvergroting zette door. Voor zeugenhouders was dat sowieso onontkoombaar. Vanwege aangescherpte regels betreffende verplaatsing van dieren vroeg de handel meer en meer om grote, uniforme partijen biggen. Ook slachterijen, de afnemers van vleesvarkens, eisten meer uniformiteit. WaardebepalingDe economische omvang van agrarische bedrijven kent een gestandaardiseerde maat, de standaardopbrengst (SO), uitgedrukt in euro’s. Voor de varkenshouderij is de basis van de SO de opbrengst die gemiddeld op jaarbasis wordt behaald per diercategorie. Per diercategorie geldt een SO-norm, die is vastgesteld op gemiddelde waarden over een periode van 5 jaar, met iedere 3 jaar actualisatie.Sinds 2000 is de totale Nederlandse boerenstand met 44% afgenomen van ruim 97.000 bedrijven naar bijna 55.000 in 2017. Het aantal geregistreerde varkenshouderijen verkleinde relatief sterker, met zo’n 60%, naar zo’n 3.000 in 2017. Toch is dit geen echte krimp. De relatieve economische omvang van de gespecialiseerde varkenshouderij binnen het geheel bleef namelijk goed op peil. Deze beloopt al sinds jaar en dag 10-12% van de waarde van de gehele sector. Het gaat om een ‘standaardopbrengst’ die in 2017 een waarde vertegenwoordigde van € 2,75 miljard, 30% meer dan in 2000. OpgeschaaldDe schaalvergroting heeft wel vruchten afgeworpen. De gemiddelde varkenshouderij was qua bezetting met dieren in 2017 tweeëneenhalf (zeugen) tot driemaal (vleesvarkens) zo groot als in 2000. De gemiddelde economische omvang groeide in die periode echter sterker: voor de zeugenhouderij met een factor 3,4 en voor de vleesvarkenshouderij met een factor 3,9. De verhoudingen tussen vleesvarkensbedrijven, zeugenhouderijen en overige bedrijven in de varkenssector is daarbij sinds 2000 sterk verschoven naar een zwaardere positie van de vleesvarkenshouders.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









