Foto: Fotostudio Wick Natzijl RundveeAchtergrond

Fosfaatplan: niets doen wordt duur

Ketenorganisatie ZuivelNL heeft haar plan gepresenteerd voor de fosfaatreductie in 2017. Bedrijven die extra krimpen worden beloond, groeiers kunnen tegen hoge kosten uitbreiden.

Het plan gaat naar verwachting in maart in, met als doel derogatie te behouden.

“Dit is het, zo moeten we het gaan doen. Alternatieven zijn er eigenlijk niet meer”, dat zegt LTO-bestuurder Kees Romijn bij de presentatie van het fosfaatreductieplan van de zuivelsector voor 2017. “Ik zit hier wel met een dubbel gevoel. Ik ben allemachtig trots op de sector dat we hier een pakket kunnen presenteren als oplossing voor het fosfaatoverschot in 2017 in het belang van de derogatie. Tegelijk ben ik ook zelf boer en weet ik als geen ander welke impact dit heeft op het bedrijf. Je bent geen boer geworden om koeien weg te doen, dat druist tegen het boerengevoel in”, aldus Romijn.

‘Je bent geen boer geworden om koeien weg te doen, dat druist tegen het boerengevoel in’

Verwachte start fosfaatreductie zuivel maart 2017

Het plan van de zuivelsector is onderdeel van het totale sectorplan om de fosfaatproductie van de melkveehouderij in 2017 weer onder het sectorplafond van 84,9 miljoen kilo fosfaat te brengen. Twee onderdelen hiervan, de fosfaatreductie via het voerspoor en de stoppersregeling gaan naar verwachting per januari van 2017 van start. De fosfaatreductie via de zuivelsector gaat naar verwachting per maart in. Hiervoor is eerst nog goedkeuring nodig van de partijen achter ZuivelNL, waarna een verzoek voor een Algemeen Verbindend Verklaring (AVV) kan worden gedaan bij het ministerie. Het verlenen van deze verklaring, waarvoor ook goedkeuring van Brussel nodig is, duurt ongeveer twee maanden.

Melkgeldregeling of GVE-reductieregeling

De zuivelregeling bestaat uit twee opties: een melkgeldregeling of een GVE-reductieregeling. De verwachting is dat het meeste gebruik zal worden gemaakt van de GVE-regeling, omdat hier ook jongvee onder valt, waardoor melkveehouders niet per se hoeven dalen in melkproductie om de fosfaatproductie te verlagen. Niet-grondgebonden bedrijven moeten terug naar een fosfaatproductie van het niveau van 2 juli 2015 minus 4%, voor grondgebonden bedrijven geldt de extra korting van 4% niet.

Vijf fases van 2 maanden

Voor de GVE-reductieregeling worden vijf fases ingesteld van twee maanden. In de eerste fase moet minimaal 5% van de te veel aanwezige GVE’s worden afgevoerd, in de tweede periode 10% en in de derde periode – afhankelijk van het effect van de stoppersregeling – naar verwachting 20% worden afgevoerd, in de vierde periode 40%. In de laatste periode moet zo veel verder worden gereduceerd dat de bedrijven aan de referentie (eventueel -4%) voldoen. Bedrijven die hun veestapel volgens dit tempo of sneller reduceren, ontkomen hiermee aan de korting op het melkgeld van 90% voor 800 liter per aanwezig GVE. Daarvoor komt wel een solidariteitsheffing in de plaats van 20% van het kale melkgeld per GVE die nog moet worden afgevoerd om aan de referentie te voldoen. Op deze manier worden melkveehouders gestimuleerd om vaart te houden in de reductie. Als een bedrijf niets doet of veel te weinig afvoert, blijft de heffing van 90% van het melkgeld van kracht.

‘Als een bedrijf niets doet of veel te weinig afvoert, blijft de heffing van 90% van het melkgeld van kracht’

Bij de reductiedoelstelling is de peildatum van het aantal koeien 1 oktober 2016. Alle groei op bedrijven van na 1 oktober 2016 komt nog bovenop de taakstelling van de GVE-reductieregeling. Deze dieren moeten dus sowieso worden afgevoerd.

Romijn: melkproductie daalt minder dan aantal koeien

Kees Romijn, voorzitter van LTO-vakgroep Melkveehouderij, verwacht dat met het zuivelplan de melkproductie minder zal dalen dan het aantal koeien. “We hebben nu 19% meer koeien en produceren 25% meer melk, aan het einde van 2017 verwacht ik dat we 10% extra koeien zullen hebben en 20% meer melk zullen leveren ten opzichte van het quotum”, zegt Kees Romijn.

Voor de regeling is extra slachtcapaciteit nodig, van soms wel de dubbele capaciteit dan de huidige. Deze is in Nederland en net over de grens beschikbaar, zegt Romijn. Een effect op de vleesprijs zal de fosfaatreductie ook hebben. “Maar dat staat niet in verhouding tot het belang van deze maatregelen”, aldus Romijn.

Ruimte voor groeiers en nieuwe bedrijven

Het fosfaatplan biedt ontwikkelruimte voor bedrijven die willen groeien of bedrijven die na 2 juli 2015 zijn begonnen met melken. Melkveebedrijven die volgens het aangegeven ritme reduceren in veestapel, hoeven niet meer dan 20% te korten in GVE’s. Zij hoeven na de derde fase van reductie, niet verder te reduceren. Hierdoor kunnen zij – tegen betaling van een solidariteitsheffing voor de dieren die ze boven hun referentie houden – meer dieren aanhouden. Voor deze dieren moeten per 2018 dan fosfaatrechten worden aangekocht. NAJK-melkveebestuurder Bart van der Hoog vindt deze mogelijkheid van groot belang. NAJK heeft zich ingezet op een maximering van de GVE-reductieregeling. “Hierdoor worden recent gestarte- en gegroeide bedrijven niet buitenproportioneel getroffen”, zegt hij.

Referentiedatum 1 oktober 2016

Voor het aantal te reduceren GVE’s is 1 oktober 2016 als referentiedatum ingesteld. Deze datum is gekozen omdat in die maand duidelijk werd dat de invoering van de fosfaatrechten uitgesteld zou worden. Met de instelling van deze datum wil ZuivelNL anticiperend gedrag van veehouders die na die datum vee hebben aangevoerd niet belonen.

Alle GVE’s die extra zijn aangevoerd na 1 oktober 2016 tot de aanvang van de regeling en die hebben geleid tot een GVE-toename bij dat betreffende bedrijf zullen dus als extra reductie-taakstelling gelden. Reductie van deze GVE’s komt geheel voor eigen rekening en wordt dus niet beloond met een bonus. Bedrijven die na 1 oktober vee hebben aangevoerd maar daarmee nog niet boven hun referentie van 2 juli 2015 (-4% voor niet-grondgebonden bedrijven) zitten, zijn vrijgesteld van het reductieplan.