Ontwikkelingsplanologie

In de planologie is er te veel aandacht voor nieuwbouw, en te weinig voor gebouwen die leeg achterblijven.In mijn lijfblad Boerderij Vandaag, het voormalige Agrarisch Dagblad, stond vorige week een opmerkelijk artikel. Het was geschreven door iemand van een adviesbureau, en het had de kop 'Onderhandelingsplanologie'. De faculteit waar ik werk heeft een complete afdeling Planologie, dus u begrijpt mijn interesse. De strekking van het stuk was dat gemeenten en provincies weliswaar allerlei ingewikkelde regels hanteren als het om nieuwbouw gaat, maar dat feitelijk steeds meer te onderhandelen valt. In Noord-Brabant kan een boer zijn vergunningen gemakkelijker verwerven als hij een goede relatie met zijn buren kan laten zien. In Groningen is recent besloten dat er ruimte is voor heel grote bedrijven, mits mooi ingepast. En dat terwijl daar tot voor een maand terug helemaal niets mogelijk was, nog geen simpele kippenschuur.
Eigenlijk is die ontwikkeling al veel langer gaande. De term hiervoor is ontwikkelingsplanologie. Als iemand iets wil oprichten of bouwen dat past in het straatje van een overheid, dan helpt die overheid om het mogelijk te maken. Het tegenovergestelde is verbodsplanologie. Dat is het systeem waarin op detailniveau geregeld is wat wel mag en wat niet. Verbodsplanologie geeft weinig ruimte voor discussie of onderhandeling. Overigens, veel burgers in het buitengebied vinden dat best, want het beschermt hen tegen onverwachte ontwikkelingen in de buurt. Voor de ondernemer, voor de groei van de economie en ook voor de ontwikkeling van het landschap is het aantrekkelijk dat er in overleg veel mag. Met ontwikkelingsplanologie kan het buitengebied mooier worden, en het geeft ruimte aan ondernemende boeren.
De kern van het probleem van de landschapskwaliteit is echter niet in de eerste plaats de kwaliteit van de nieuwbouw. Als we ervan uitgaan dat de landbouwproductie niet dramatisch toeneemt, dan blijft de behoefte aan bebouwde vierkante meters ongeveer gelijk. Elke stal voor 250 koeien vervangt drie oude stallen voor 70 koeien. En elke stal voor 5.000 vleesvarkens vervangt ook twee of drie kleinere stallen. Voor de landschappelijke kwaliteit is het vooral de vraag wat er met de oude stallen gebeurt. Die oude gebouwen zijn vaak erg lelijk en slecht onderhouden. Veel gemeenten bekommeren zich daar niet zo om. Natuurlijk zijn er rood-voor-roodregelingen, maar veel halen die niet uit. Sommige gemeenten proberen zelfs te bevorderen dat nieuwe bedrijvigheid in oude stallen wordt gevestigd. Niet elke boer zal het met me eens zijn, maar wat mij betreft moet de overheid zich wat minder met de nieuwbouw bemoeien, en wat meer met dat wat achtergelaten wordt. Het landschap heeft baat bij nieuwbouwstallen, mits de oude verdwijnen. Afbreken die handel.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









