NIRS: mest laat zich (nog) niet vangen in getallen

Foto: Matthijs Verhagen
NIRS-techniek om realtime gehaltes in mest te meten is al 10 jaar op de markt. Helemaal praktijkrijp, volgens sommige fabrikanten. Toch bewijst een onderzoek wat anders.Mest is een kostenpost als je ervan af wilt, maar heeft (omgerekend naar kunstmestprijzen) een hoge bemestingswaarde voor de akkerbouwer. De enorme veelvoud aan soorten mest met uiteenlopende gehaltes maakt het lastig om dierlijke mest met precisie aan te wenden. Pas 10 dagen later toont de laboratoriumanalyse of de inschatting juist was. Een oplossing is de mestanalyse via NIRS (Nabij Infrarood Spectrografie). Een NIRS-sensor kun je zowel op mesttanks als op transportopleggers bouwen. Zo is er snel resultaat zonder het opsturen van monsters en zonder wachttijd. Zodra de mest geladen is, weet de ontvangende akkerbouwer de gehaltes via de digitale snelweg. Of toch niet?Teleurstellende uitkomsten onderzoek voor fabrikantenIn 2014 zeggen de vier leidende NIRS-fabrikanten, waaronder Veenhuis, Eijkelkamp (Zunhammer) en D-Tec (John Deere), dat hun sensoren op dat moment dusdanig nauwkeurig zijn dat ze laboratiumanalyses kunnen vervangen. Het ministerie van Economische Zaken start daarop een grote praktijkproef. Doel: 95% van de NIRS-metingen mag niet meer dan 15% afwijken van de laboratorum-uitslag. De uitkomst is helder, en teleurstellend voor de fabrikanten: NIRS is niet nauwkeurig genoeg. Uit het rapport blijkt dat met name bij lage fosfaatgehaltes de procentuele afwijking hoog is, tot 200%. Bij lage gehaltes fosfaat en stikstof overschat de sensor de waardes, bij hoge gehaltes geven de NIRS-metingen juist iets te lagere waardes aan.IJklijnen per mestsoort aanpassenHet rapport biedt ook hoop. Een van de vier deelnemers voldoet qua stikstofmetingen in twee van de drie meetperiodes wél aan de maximale afwijking van 15%. Ook worden de metingen van dit – in het rapport niet bij naam genoemde – bedrijf gedurende de testperiode nauwkeuriger. Er is dus een ‘leereffect’. De onderzoekers opperen dat de ijklijnen per mestsoort aangepast moeten worden. Liefst herkent de sensor zelf de mestsoort, om dan zelf de juiste ijklijn te kiezen en dan te gaan meten.NIRS-fabrikant nuanceert onderzoek“Als je kijkt waar we nu staan, dan is dat een enorme stap vooruit in precisie”, zegt Jørgen Audenaert, factory marketing manager van John Deere. Dat dit zo niet uit het rapport te lezen is, wijt hij deels aan de opzet van de praktijkproef. “De NIRS-sensoren hebben tijdens de proef alleen tegelijk met de automatische monstername op de oplegger een meting gedaan. Dat is meestal vijf keer per lading. Maar onze NIRS-sensor doet 17 keer per seconde een meting. Wij hebben daarom van alle vrachten ook de gehaltes bepaald op basis van het meten van de hele tank, dus extra, buiten de proef om.” In de praktijkproef bleek dat de standaardafwijking van de gehaltes stikstof en fosfaat op basis van het meten van de hele tank of op basis van het gemiddelde van slechts 5 monsterpunten aanzienlijk was: voor stikstof 4% en voor fosfaat 16%. Verder zijn de metingen van de NIRS-sensoren tijdens de proef vergeleken met de analyse van één laboratorium. “Het is bekend dat laboratoria onderling afwijken met hun meetresultaten. Simpelweg omdat mest zich lastig in cijfers laat vangen”, zegt Audenaert. “Beter zou het bij een volgende praktijkproef zijn om een monster bij meerdere laboratoria te laten onderzoeken, de uitkomsten te middelen, en dat te vergelijken met de NIRS-metingen.”
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









