Dit zijn de mestplafonds per sector in 2020

Laatst bijgewerkt:
Dit zijn de mestplafonds per sector in 2020

Dit zijn de mestplafonds per sector in 2020


Wil je reageren? Maak dan gratis een account aan!

Vanaf 2020 komen er mestplafonds voor melkvee, varkens en pluimvee. Dat staat in een wetsvoorstel dat ter inzage ligt tot 26 oktober 2018. Overschrijding van de plafonds in deze sectoren kan een generieke korting betekenen. Dat speelt voor het eerst in 2022.De invoering van mestplafonds (stikstof en fosfaat) voor de 3 grote veehouderijsectoren afzonderlijk leidt tot veel discussie. Tot nu tot gold alleen een plafond voor de totale Nederlandse mestproductie.De 3 grootste veehouderij-sectoren worden inmiddels begrensd door dierrechten. In het wetsvoorstel waarmee de plafonds worden ingevoerd staat immers ook de mogelijkheid om een sector een generieke korting op te leggen.PluimveehouderijVanuit de pluimveehouderij wordt meteen gewezen op het grote aandeel van de mest die wordt verwerkt en over de grens wordt afgezet dan wel wordt verbrand in BMC Moerdijk.VarkenshouderijDe varkenshouderij heeft moeite met het plafond omdat het binnen de bestaande varkensrechten ruimte wil houden voor productiemethoden die per varken een hogere mestproductie op kan leveren.MelkveehouderijDe melkveehouderij heeft dit jaar al te kampen met de invoering van fosfaatrechten en zit net als de andere sectoren totaal niet te wachten op een nieuwe korting.
Lees verder onder de foto’s en grafiekenOverschrijdingen voorkomenDe sectorplafonds zijn gebaseerd op de mestproductie in 2002. De plafonds worden:voor melkvee282 miljoen kilo stikstof 84,9 miljoen kilo fosfaat voor varkens99,1 miljoen kilo stikstof 39,7 miljoen kilo fosfaatvoor pluimvee60,3 miljoen kilo stikstof 27,4 miljoen kilo fosfaatDat de sectorplafonds in de Meststoffenwet komen, is mede een gevolg van de moeizame invoering van fosfaatrechten voor melkvee. Echter, ook andere sectoren hebben sinds 2006 meermaals meer mest geproduceerd dan de hoeveelheid fosfaat of stikstof in 2002 per sector, ondanks beperkingen door varkens- en pluimveerechten. De invoering van sectorplafonds is bedoeld om nieuwe overschrijdingen te voorkomen.De varkenshouderij produceerde in de afgelopen 10 jaar het vaakst meer fosfaat dan op basis van het sectorplafond in 2002.Melkquotering viel wegNa een lage totale mestproductie in 2012 begon de fosfaatproductie van de melkveehouderij sterk te stijgen. Er werden steeds meer koeien en jongvee gehouden richting de afschaffing van de melkquotering in 2015.In 2014 steeg de fosfaatproductie van melkvee al boven het sectorplafond van 84,9 miljoen kilo fosfaat. In 2015 werd het totale fosfaatplafond overschreden en dat was voordat het definitief bekend was al aanleiding om in te grijpen in de melkveehouderij.De melkveehouderij is veruit de grootste sector wat mestproductie betreft. In het jaar 2015 steeg de fosfaatproductie tot bijna 93 miljoen kilo.Meer aandacht voor productie stikstofInmiddels komt er ook steeds meer aandacht voor de productie van stikstof. De veestapel produceert sinds 2013 voortdurende meer stikstof in de mest. Dit kwam in 2017 net iets boven het plafond van 504,4 miljoen kilo uit.In 2017 was er voor het eerste een kleine overschrijding van het stikstofplafond. Het fosfaatplafond als totaal van alle sectoren is de afgelopen 10 jaar meerdere keren overschreden.Historische gegevens en derogatieDat de plafonds zijn gebaseerd op de mestproductie in 2002 is voer voor discussie. De huidige mestplafonds zijn nog altijd gebaseerd op de productie van stikstof en fosfaat in 2002. Het is als voorwaarde in de eerste derogatie onderdeel geworden van het mestbeleid.In 2006 heeft de Europese Commissie voor het eerste een derogatie verleend aan Nederland. Die gold van 2006 tot en met 2009. Daarmee mocht onder voorwaarden 250 kilo stikstof uit graasdiermest worden aangewend. Een van de voorwaarden was dat een bedrijf minimaal 70% grasland moest hebben.In de derogatieverlenging voor de periode 2010-2013 waren de wijzigingen beperkt. In de volgende periode voor 2014-2017 werden forse aanscherpingen doorgevoerd zoals een lagere derogatie van 230 kilo stikstof voor bedrijven op zand- en löss in Zuid- en Oost Nederland, minimaal 80% grasland (in plaats van 70%) en een verbod op het gebruik van fosfaatkunstmest voor derogatiebedrijven.De huidige derogatie is onder voorwaarden verstrekt voor een periode van 2 in plaats 4 jaar. Volgend jaar beginnen de onderhandelingen voor een verlenging die mede afhankelijk is van een succesvolle inperking van de mestproductie.Overige diersoortenDe plafonds per sector gaan alleen gelden voor melkvee, varkens en kippen. Voor de totale mestproductie tellen ook vleesvee, geiten, schapen en kleine categorieën zoals paarden mee. Vleesvee was in 2002 goed voor een fosfaatproductie van 12,5 miljoen kilo. In 2017 was dat gedaald naar 10,8 miljoen.De fosfaatproductie van vleesvee is flink gedaald ten opzichte van het jaar 2002. De categorie overige diersoorten daalde fors in 2016 toen veel kleine bedrijven niet meer meetelden in de Landbouwtelling.De overige veesoorten waren in 2002 nog goed voor 8,5 miljoen kilo fosfaat, in 2017 nog 6,6 miljoen. Voor diersoorten als schapen en paarden is een duidelijke daling opgetreden in 2016. In dat jaar verdwenen veel hobbybedrijven uit de landbouwtelling. Op dergelijke kleine bedrijven waren relatief veel schapen en paarden en pony’s te vinden.Een duidelijk stijging is er wel te zien bij de mestproductie van geiten. Die steeg naar 2 miljoen kilo fosfaat in 2017, dat is een verdubbeling ten opzichte van 2002.Voorlopig vast aan mestplafondsGezien de historie van de mestproductie in de afgelopen jaren die sterk fluctueerde door allerlei oorzaken lijkt er voorlopig geen einde te komen aan de mestplafonds. Er komt juist een aanscherping in de vorm van plafonds per sector en de mogelijkheid om te kunnen korten bij overschrijding.Een jaar tussen overschrijding en kortingVolgens het voorstel zit er straks een jaar tussen een overschrijding en de korting die dan wordt toegepast. Dat betekent dat een korting vanwege een overschrijding in 2020 pas in 2022 zal worden doorgevoerd. Dit geldt zelfs als in 2021 het plafond niet wordt overschreden in die sector.Het wetsvoorstel is nu in de inzagefase. Dan is de Tweede Kamer nog aan zet. Discussie over het voorstel is er in ieder geval al genoeg.Grote verschillen per jaarDe totale mestproductie van de Nederlandse veestapel wordt berekend op basis van normen per dier en het totaal aantal geregistreerde dieren. Daarvoor worden onder meer voergegevens van krachtvoer en ruwvoer gebruikt.

De normen per dier variëren dan ook sterk, vooral in de rundveehouderij waar ruwvoer een relatief groot deel van het voerpakket uitmaakt. Het verschil tussen jaren kan oplopen tot tientallen procenten per diersoort. Dat komt ook door maatregelen die worden genomen door de sector zelf.Een voorbeeld is de verlaging van het gehalte fosfor in het voer dat doorwerkt in een lagere fosfaatproductie.Met name in de pluimveehouderij en varkenshouderij zijn de verschillen groot. In 2002 produceerde een vleesvarken gemiddeld 4,3 kilo fosfaat, in 2010 was dat 4,9 en afgelopen jaar was dat 4,2 kilo fosfaat per dier per jaar. Vleeskuikens produceerden gemiddeld 0,18 kilo fosfaat in de mest in 2002, inmiddels is dat gedaald naar 0,13 in 2017.TABELDe variatie in stikstof- en fosfaatproductie maakt het lastig om te voorspellen hoe een bepaald jaar gaat uitpakken. Dat geldt voor boeren zelf die op hun bedrijf binnen hun mestruimte moeten blijven.Het geldt ook voor de totaal berekening die elk jaar wordt gemaakt en waar Nederland op afgerekend wordt door Brussel. Deels is dat voor de rundveehouderij opgevangen.Voor de gehalten in het ruwvoer wordt nu gekeken naar een gemiddelde over meer jaren waarbij extremen worden weggelaten.Standaardberekening mestproductie veestapelDe hoeveelheden stikstof en fosfaat die jaarlijks met dierlijke mest worden geproduceerd, worden sinds het begin van de jaren 90 volgens een vaste rekenmethode bepaald.

De jaarlijkse actualisatie gebeurt in de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM). In de WUM zijn vertegenwoordigd: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Wageningen Economic Research, Wageningen Livestock Research, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).De uitscheidingsfactoren in dierlijke mest (stikstof, fosfaat en kali) apart berekend op basis van een balans per dier:uitscheiding = opname met voer – vastlegging in dierlijke productenOp die manier worden veranderingen in voersamenstelling meegenomen in de jaarlijkse berekening van de mestproductie.Forfaitaire normen per dierDe cijfers die het WUM berekend, zijn ook de basis voor de forfaitaire normen per dier die in de tabellen van RVO.nl staan. Zo zijn de huidige normen voor rundvee gebaseerd op de gemiddelde stikstof- en fosfaatproductiecijfers in de periode 2010-2012.De mestproductie en mineralenuitscheiding van alle vee in Nederland worden berekend door de normen voor de mestproductie en mineralenuitscheiding in kilo per dier en per jaar te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de Landbouwtelling op 1 april.Fosfaatreductieplan en fipronilIn 2017 is voor rundvee gerekend met de gemiddelde dieraantallen volgens I&R vanwege het fosfaatreductieplan. Voor pluimvee zijn de aantallen eveneens gecorrigeerd vanwege de fipronil-crisis.

Dit artikel is alleen voor abonnees

Al geabonneerd? 

Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement


Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen

Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen

Vorm je eigen mening met opinies en analyses


Bekijk aanbod

Snel delen


Dagelijkse nieuwsbrief


Reacties

Je bent niet ingelogd


Log in of maak binnen 30 seconden een account aan

Reageer op artikelen en deel je mening met anderen.