Dit kun je doen tegen aardappelmoeheid

Foto: Mark Pasveer
Rassenkeuzetoets belangrijk wapen tegen aardappelmoeheid (AM). De aardappelmoeheid-aaltjes worden virulenter. Het duurt nog enkele jaren voor er resistente rassen zijn. In de tussentijd helpt een rassenkeuzetoets om de opmars van de aaltjes tegen te gaan.Aardappelmoeheid (AM) neemt de laatste jaren toe in de Veenkoloniën. Dat komt omdat door uitselectie virulente aaltjes zijn ontstaan. Deze aaltjes kunnen zich vermeerderen op een perceel, ook als er een resistent aardappelras is geteeld. Maar de trend kan worden gekeerd. Een aantal kwekers en veredelingsbedrijf Averis veredelen aardappelen op resistentie tegen deze aaltjes. Daar worden bemoedigende resultaten mee geboekt, maar het duurt nog een aantal jaren voor de resistente rassen beschikbaar zijn voor de praktijk. In de tussentijd doen aardappeltelers er goed aan hun percelen te bemonsteren en een rassenkeuzetoets te laten uitvoeren. Dan kan de teler voor ieder perceel een ras kiezen waar de aaltjes zich niet of moeilijk op kunnen vermeerderen. Lees verder onder het kader. Wat kunnen aardappeltelers doen tegen AM?► Bestrijd aardappelopslag
► Neem grondmonsters na de aardappeloogst
► Bemonster ook percelen zonder valplekken
► Teel het ras dat het beste bij het perceel past
► Laat bij een besmetting een rassenkeuzetoets uitvoeren
► Maak machines vaak schoon om versleping te voorkomen Project in Veenkoloniale aardappelgebiedOm aan te geven hoe de AM-situatie in het Veenkoloniale aardappelgebied zich ontwikkelt, laten Egbert Schepel en Vincent Vos van onderzoeks- en adviesbureau HLB in Wijster resultaten zien van het POP3-project Veenkoloniale AM precies in beeld. Ruim 90 telers laten in het project hun percelen meerdere jaren achter elkaar bemonsteren op de AM-aaltjes Globodera pallida en Globodera rostochiensis en krijgen daar advies over. Op een schema geven kleuren aan hoe zwaar een perceel besmet is. In een specifiek voorbeeld is te zien dat tot 2015 vrijwel alle percelen groen (geen besmetting) of geel (zeer lichte besmetting) kleuren. In 2019 zijn veel percelen rood (zwaar besmet) en enkele zelfs donkerrood van kleur geworden (zeer zwaar besmet). De mate van AM-besmetting laat een oplopende trend zien, concludeert Egbert Schepel, aaltjesonderzoeker bij HLB. “De laatste jaren kwam in dit gebied bijna alleen G. pallida voor. De laatste jaren vinden we steeds meer G. rostochiensis en mengbesmettingen. Nu bestaat ongeveer 80% van de besmettingen uit G. pallida, een paar procent alleen uit G. rostochiensis en de rest zijn mengbesmettingen.”Het project eindigt eind 2021. Schepel hoopt dat het project een vervolg krijgt. “Het ontwikkelen van een effectieve aanpak van AM is een kwestie van lange adem.” Lees verder onder de foto. Een medewerker van onderzoeks- en adviesbureau HLB rijdt met een quad over een perceel waar aardappelen zijn geteeld. De quad neemt op diverse plaatsen een grondmonster. - Foto: Mark PasveerWerk aan de winkelHet is niet voor het eerst dat de Veenkoloniën te maken heeft met aardappelmoeheid. Begin jaren negentig was meer dan 55% van de percelen zwaar tot zeer zwaar besmet. Door systematisch resistente rassen te telen en door gerichte grondontsmetting zakte dat aandeel naar bijna 0% in 2012. Het verleden leert dat AM goed is te beheersen.Door de vondst van virulente aaltjes is er nu weer werk aan de winkel. Telers kunnen een rassenkeuzetoets laten doen bij HLB (zie kader hieronder). De rassenkeuzetoets kost € 350, exclusief kosten voor bemonstering en analyse van het grondmonster. In de toets worden acht rassen meegenomen. Dan weet een teler welke AM-aaltjes zich op zijn perceel bevinden, hoe zwaar de besmetting is en welk ras hij de volgende keer het beste op het bemonsterde perceel kan telen om de besmetting terug te dringen. Lees verder onder het kader. Hoe werkt rassenkeuzetoets?Voor een rassenkeuzetoets worden AM-cysten verzameld uit een grondmonster dat is genomen op een perceel. De larven uit deze cysten gaan in een buisje (300 levende larven per buisje) met schone grond, waarin een stukje aardappel van een bepaald ras is gepoot. De toets wordt meestal uitgevoerd met acht verschillende rassen in acht herhalingen.
Na verloop van tijd telt HLB het aantal nieuwe cysten in ieder buisje. Als standaard gebruikt HLB het ras Désirée. De vatbaatbaarheid van dit ras wordt op 100% gezet. Vervolgens wordt bepaald in hoeverre de aaltjes van dat specifieke perceel op de zeven andere rassen reageren. Dat wordt uitgedrukt in een relatieve vatbaarheid, dus ten opzichte van de aaltjesvermeerdering bij Désirée. Als de vermeerdering onder 5% valt, is sprake van een resistent ras. Een rassenkeuzetoets kost € 350, exclusief bemonstering en analyse van het grondmonster.‘Belangrijk dat telers grondmonsters laten nemen’Bemonstering is van groot belang, benadrukt Schepel. “Dat geldt ook voor percelen waar geen AM-besmetting zichtbaar is door valplekken. We vinden vooral G. pallida. Sinds kort komt G. rostochiensis weer meer voor in het Veenkoloniale gebied. De AM-resistenties in de rassen zijn de laatste decennia vooral gericht tegen G. pallida. Een besmetting met G. rostochiensis kan zich daardoor snel uitbreiden. Daarom is het zo belangrijk dat telers grondmonsters laten nemen om te weten of en zo ja welke aaltjes op dat perceel zijn te vinden.”Nieuwe rassen zijn beter bestand tegen virulente aaltjesIn de rassenkeuzetoets neemt HLB ook nieuwe rassen mee die nog maar net zijn ontwikkeld door de kwekers. Schepel is hoopvol over wat is te bereiken met veredeling. “De nieuwe rassen zijn beter bestand tegen de virulente aaltjes. Die kunnen zich daar moeilijker op vermeerderen. Kwekers doen goed werk. Daarnaast willen we graag de rassenkeuzetoets uitbreiden met buitenlandse aardappelrassen. Daar kunnen rassen tussen zitten die goed helpen om AM terug te dringen. Zo zijn veel Duitse aardappelrassen effectiever tegen G. rostochiensis dan de Nederlandse, omdat deze aaltjes al veel langer in Duitsland voorkomen dan hier in de Veenkoloniën.” Lees verder onder de foto. Monster bekijken in verband met onderzoek naar aardappelmoeheid. - Foto: Frank UijlenbroekVerspreiding per perceelIn het project Veenkoloniale AM precies in beeld wordt ook onderzocht hoe de virulentie van een AM-besmetting is verspreid over een perceel, zegt Vincent Vos, die bij HLB verantwoordelijk is voor de rassenkeuzetoets. “We willen zien of besmettingen pleksgewijs binnen een perceel verschillend op diverse rassen reageren wat betreft AM-vermeerdering. Daarom bemonsteren we in het project twee jaar een aantal percelen zeer intensief voor en na de aardappelteelt. Zo krijgen we een beeld van de verspreiding van virulentie over een perceel. Komende winter worden de eerste resultaten verwacht. Dan kunnen we eventueel de bemonstering daarop aanpassen. Je wilt toch het liefste een ras telen waar overal op de besmette stroken aaltjes zich niet of moeilijk kunnen vermeerderen.”Ook wordt de hele geschiedenis van het perceel vastgelegd in het project. Vos: “Als op zo’n perceel opnieuw aardappelen zijn geteeld, gaan we het perceel weer intensief onderzoeken op AM. Zo ontstaat een beeld wat de beste strategie is om AM aan te pakken.”De verspreiding van de aaltjes gebeurt vooral via verstuiving en via machines die besmette grond meenemen. Schepel raadt telers aan machines schoon te maken als ze naar een ander perceel gaan. “Daarnaast is bestrijding van aardappelopslag belangrijk omdat daar haarden van AM-aaltjes kunnen ontstaan.”Onder water zettenHet langdurig onder water zetten van besmette stroken is zeer effectief tegen AM-aaltjes, zegt Schepel. “Inundatie benadert een 100% doding als het goed is uitgevoerd. Maar inundatie is lastig in het Veenkoloniale gebied. Je moet een dijkje bouwen om de besmette strook of een plastic afscheiding ingraven. En de strook moet langdurig onder water staan, ongeveer drie maanden. Omdat inundatie zo effectief is, willen we graag dat nader wordt onderzocht welke mogelijkheden dit biedt in de Veenkoloniën. We willen hiervoor graag een onderzoeksvoorstel indienen bij de Brancheorganisatie Akkerbouw.”Meer bemonsterenEr vindt ook onderzoek plaats naar nieuwe mogelijkheden om AM aan te pakken. In het project Pallifit wordt het genetisch profiel van de AM-aaltjes in beeld gebracht. Schepel vindt dat belangrijk. “Dan kun je de aaltjes indelen op basis van het genetische profiel en de rassenkeuzetoets daarop afstemmen. Dan levert de toets een nog nauwkeuriger advies op.”Er is door wetenschappers ook wel eens geprobeerd om de lokstoffen na te maken waarmee de aardappel de aaltjes uit de cysten lokt. Theoretisch kun je die dan op een perceel spuiten vóór de aardappelteelt. Dat lokt de aaltjes uit de cysten waarna die verhongeren bij gebrek aan voedsel. Schepel: “Theoretisch is dat een heel goed verhaal. Maar het is nog niet gelukt om dat molecuul op commerciële basis na te maken. Zelfs als dat zou lukken, dan heb je veel lokstof nodig om te zorgen dat alle aaltjes uit de cysten worden gelokt. Dat lijkt me niet eenvoudig en erg duur.” Lees verder onder de foto. Een medewerker van onderzoeks- en adviesbureau HLB verzamelt alle grondmonsters in bakken. Stichting TBM adviseert de telers van zetmeelaardappelen om 10% van al hun aardappelpercelen te bemonsteren op aardappelmoeheid. - Foto: Mark PasveerVerspreiding van AM tegengaanZolang er geen rassen beschikbaar zijn met een brede resistentie tegen de nieuwe virulente AM-stammen raadt Schepel aardappeltelers aan veel te bemonsteren op AM. “Dat geldt ook voor percelen waar geen valplekken zichtbaar zijn. Als ze bemonsteren weten ze of er AM op het perceel voorkomt. Bij een besmetting kunnen ze gebruik maken van de rassenkeuzetoets. Dan kunnen ze bij de volgende aardappelteelt op dat perceel kiezen voor een ras dat vermeerdering van de aaltjes zo veel mogelijk onderdrukt. Dit is van groot belang voor de hele aardappelsector. Het helpt om verspreiding van AM tegen te gaan tot er nieuwe rassen zijn die ook bestand zijn tegen de virulente aaltjes.”Actie nodig tegen virulente AM-aaltjesEen belangrijk doel van het Plan van Aanpak Aardappelmoeheid is om telers meer bewust te maken dat actie nodig is om AM onder de knie te krijgen.
In het Veenkoloniale gebied doken een paar jaar geleden virulente aaltjes op, die zich konden vermeerderen op een resistent aardappelras. Uit de vrijwillige AM-bemonstering van TBM-percelen in 2017 en 2018 bleek dat de virulente aaltjes op zo’n 5% van de percelen voorkwamen.
Voorzitter Dirk Jan Beuling van de stuurgroep Plan van Aanpak AM stelt dat het aandeel percelen met virulente aaltjes sindsdien iets is gestegen. “Gelukkig gaat de stijging langzaam. Maar telers moeten zich er wel bewust van worden dat actie nodig is tegen de virulente aaltjes.”
Financiering project aanpak aardappelmoeheid
Het Plan van Aanpak is een initiatief van BO Akkerbouw, LTO, NAV, AVEBE en stichting TBM. Het project werd betaald uit de financiële reserves van het vroegere Productschap Akkerbouw. Vanaf 2021 wordt het betaald uit de financiële bijdrage die akkerbouwers betalen aan BO Akkerbouw voor het onderzoekprogramma.
Binnen het Plan van Aanpak voert stichting TBM een campagne om telers te bewegen de percelen te bemonsteren waar ze eigen pootgoed willen telen. Beuling: “Ons advies is om 10% van al je aardappelpercelen te bemonsteren. Dan kan een teler het beste perceel kiezen voor de pootgoedteelt om verspreiding van AM-cysten via pootgoed te voorkomen. Van ongeveer 85% van de percelen waar TBM-pootgoed wordt geteeld, is de AM-status bekend.”
Tarragrond
Het Plan van Aanpak besteedt ook aandacht aan afvalhopen. Het proefbedrijf in Valthermond heeft een methode getest waarbij tarragrond drijfnat wordt gemaakt en vervolgens afgedekt met plastic. Beuling: “Als de tarragrond twaalf weken lang nat blijft, dan geeft dat een bijna volledige doding van de cysten. Maar de tarragrond moet al die tijd zuurstofarm blijven. Inundatie werkt ook het beste om valplekken weer schoon te krijgen. We doen ook een proef waarbij op de valplekken aardappelen worden gepoot die worden vernietigd zodra de wortels zich voldoende hebben ontwikkeld. De aaltjes komen dan uit de cysten en verhongeren.”
Bestrijding aardappelopslag
Verder richt het Plan van Aanpak zich op het bestrijden van aardappelopslag. Beuling: “Het bestrijden van opslag met een robot is in ontwikkeling. Het systeem werkt al vrij goed maar moet nog wel worden verfijnd.”
Het Plan van Aanpak test een Bodemkwaliteitsplan bij 12 aardappeltelers. Beuling: “We gaan voor probleempercelen een plan opstellen voor een aantal jaren. Dat gaat bijvoorbeeld over bodemgezondheid, vruchtwisseling, opheffen van storende lagen, vanggewassen, groenbemesters en rassenkeuze. We willen weten of we met zo’n Bodemkwaliteitsplan AM kunnen terugdringen.”
Alle activiteiten van het Plan van Aanpak zijn erop gericht om de virulente aaltjes onder de duim te houden, zegt Beuling. “Zo winnen we tijd tot er nieuwe resistente rassen beschikbaar komen.”
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









