Bankerfields geen oplossing tegen trips

Foto: Bayer Cropscience
Bankerfields zijn geen volwaardig alternatief voor chemie tegen trips in uien en spruitkool, blijkt uit driejarig onderzoek van Cebeco Agrochemie en Bayer Cropscience. Ze dragen hooguit iets bij.Een bankerfield in elk spuitspoor is niet de oplossing om trips in uien te beheersen. Dat is de heldere conclusie na drie jaar gedegen onderzoek door Cebeco Agrochemie en Bayer Cropscience. Een bankerfield is een strook met een ander gewas dan het cultuurgewas die in plaats van aan de rand van het veld, zich bijvoorbeeld in het veld bevindt op de paden van de spuitsporen. Het doel van een bankerfield is het aantrekken van nuttige insecten die er voedsel en onderdak kunnen vinden waardoor de populatie nuttige insecten dermate kan groeien dat ze als ‘gewasbescherming’ tegen plaaginsecten kan gaan fungeren. Lees verder onder fotoOost Indische Kers heeft als nadeel dat het een trage beginontwikkeling heeft, waardoor veronkruiding op de loer ligt. - Foto: Bayer CropscienceMaterie is complexSommige organisaties en onderzoeksinstanties binnen – en buiten – de landbouw presenteren bankerfields en bloemenranden als bewezen volwaardig alternatief voor chemie. Dergelijke partijen communiceren vaak op basis van een eenjarige proef of demo of interpreteren de uitkomsten van langduriger proeven onvolledig. Dat is zeer zorgelijk, stellen zowel Johan Bierma van Cebeco als Mark Ermers van Bayer. Dergelijke uitkomsten klinken een bezorgde burger misschien als muziek in de oren, maar men gaat al te vaak voorbij aan de complexiteit van de materie. We hebben in de buitenteelten immers te maken met tal van gewassen en talloze organismen. Wat goed kan werken om luizen in het ene gewas te beheersen, kan desastreuze gevolgen hebben voor de beheersing van bijvoorbeeld trips in uien. In 2016 was regionaal in Flevoland trips in uien en spruitkool een ware plaag, vertellen Johan Bierma, productmanager bij Cebeco Agrochemie en Mark Ermers, cropadvisor vollegrondsgroenten bij Bayer Cropscience. Enkele percelen uien verloren tot 40% in opbrengst en ook diverse percelen spruiten bleken uiteindelijk het oogsten niet waard. En dat terwijl de betreffende telers soms tot wel tien keer een pyrethroïde hadden ingezet in de hoop daarmee het gewas te redden. Voor beide partijen voldoende aanleiding om samen op zoek te gaan naar mogelijkheden voor een meer geïntegreerde aanpak. “Wanneer men in kassen in staat is om een deel van de plaagbeheersing uit te voeren met de inzet nuttige insecten, kunnen we dan buiten ook niet meer profiteren van de nuttige insecten die van nature al aanwezig zijn?” Drie onderzoeksvragen stonden centraal: Hoe zit het met de effectiviteit van de beschikbare insecticiden? Welke nuttige insecten zouden in de beheersing van uientrips een rol kunnen spelen? Kun je met de inzet van bankerplanten de bijdrage van deze insecten – in het beheersen van de plaag – verbeteren? Lees verder onder fotoHet bankerfieldgewas phacelia in spruitkool. Van alle geteste bankerfieldgewassen lijkt phacelia het meest kansrijk om trips helpen te beheersen.Literatuur- en effectiviteitsonderzoekHet eerste onderzoekjaar, 2017, stond in het teken van literatuuronderzoek naar trips om de uientrips beter te leren kennen. Met deze kennis werd vanaf 2017 tijdens bijeenkomsten met telers en adviseurs veel aandacht besteed aan bewustwording. Om telers ervan te overtuigen dat trips vaak eerder in het gewas zit dan verwacht waardoor monitoring op een vroeger tijdstip noodzakelijk is. Naast de zoektocht in literatuur om trips beter te leren kennen werd ook een middeleneffectiviteitsonderzoek opgestart. Dat onderzoek bevestigde het gevoel dat een bespuiting geen 100% doding geeft en dat een bespuiting met een pyrethroïde – mits goed uitgevoerd maximaal 40% bestrijding oplevert. Goed toegepast betekent met veel water spuiten op het moment dat de trips ook actief is. Een insecticide toevoegen bij de fungicidebespuiting, en dan met 200 liter water spuiten, lijkt qua effectiviteit derhalve volstrekt achterhaald. Er was in deze proef geen sprake van volledige resistentie. Wel lijkt het erop dat pyrethroiden minder effectief zijn dan in het verleden. Pyrethroïden zijn niet selectief en dus worden ook de mogelijke natuurlijke vijanden van de trips bij een toepassing gedood. Naast pyrethroïden lagen ook de systemische insecticiden Batavia, Tracer, Benevia en Movento in de proef, plus het biologische insecticide Flipper. Voordeel van deze producten is dat ze door hun selectiviteit veelal de natuurlijke vijanden sparen.Geïntegreerde bestrijding is ook onder gangbare uientelers niet langer geitenwollensokkenpraatEen bespuiting met systemische insecticiden leverde weliswaar tussen de 55 en 85% bestrijding op, maar als 15% van 1 miljard trips weet te overleven, zijn dat er nog steeds 150 miljoen. Na twee weken zit de populatie dan vaak weer op het oude niveau. 85% bestrijding is een grote stap in beheersing van de plaag, maar is dit robuust genoeg? Uit gesprekken met telers maakte Bierma op dat steeds meer telers inzien dat ze het met alleen chemie niet gaan redden en dat een bredere geïntegreerde aanpak wellicht kansen biedt. ”Geïntegreerde bestrijding is ook onder gangbare uientelers niet langer geitenwollensokkenpraat.”Lees verder onder fotoVeronkruiding van bankerplants.Nulmeting natuurlijke vijandenSamen met insectendeskundige Guido Sterk van IPM Impact hebben Cebeco Agrochemie en Bayer in 2017 op vijf uienpercelen, twee gangbare en drie biologische, de natuurlijkevijandenpopulatie van trips in kaart gebracht. Uitgangspunt is dat de natuurlijke vijanden van nature al in het perceel aanwezig moeten zijn. Het actief uitzetten, zoals in gesloten kassen gebeurt, heeft in het open veld weinig zin . Waar in sommige binnenteelten tot € 3 per vierkante meter aan nuttige insecten wordt besteed, is dit voor de buitenteelten onbetaalbaar. Daarnaast moet – om voldoende effect van nuttige insecten te hebben – er bij voorkeur sprake zijn van een balans. Heel veel plaaginsecten, maar weinig nuttige insecten zal leiden tot ongewenste schade. Zijn er juist veel nuttige insecten, maar is er weinig voedselaanbod, dan zullen de nuttige insecten zich verplaatsen of sterven. Omdat nuttige insecten vaak aangetrokken worden door signalen die de aanwezigheid van het plaaginsect verraden, lijkt het logisch dat de eerste bladschade van trips geaccepteerd moet worden zodat het noodzakelijke signaal voor de nuttige insecten ook afgegeven wordt. Tot slot moet de natuurlijke vijand bij voorkeur mobiel zijn, zodat ze in korte tijd het hele veld kan bestrijken. Lopende insecten hebben hiervoor wellicht te veel generaties nodig, waardoor vliegende insecten op dat punt een voorsprong hebben. Aanvankelijk waren volgens Sterk zodoende vooral de groene gaasvlieg en een roofwants (Orius) kansrijk in uien. Uit een semi-veldstudie bleek vervolgens dat de groene gaasvlieg – waarvan de larven geduchte tripseters zijn – veel potentie had, terwijl Orius in het Nederlandse klimaat niet in staat bleek een populatie in het gewas uien op te bouwen.Uit één van de veldtellingen in 2018 bleek dat de aanwezigheid in juli van gemiddeld 0,7 gaasvlieglarve op elke ui voldoende was om de tripspopulatie beheersbaar te houden.GemakzuchtigVragen bleven. Niet in alle percelen bleken zich groene gaasvliegen op te houden. Daar hebben de onderzoekers nog geen verklaring voor. Omgevingsfactoren spelen hier zeer waarschijnlijk een belangrijke rol. Tussen de percelen zat weinig verschil in biodiversiteit, waarbij biologisch niet per definitie beter scoorde dan geïntegreerd. Natuurlijke vijanden blijken ook gemakzuchtig. Zo barstte het in een bloemenrand langs een biologisch perceel uien van de roofwantsen, maar vanaf een halve meter in het uienperceel was er geen enkele roofwants meer te bekennen. Er zijn vanuit het onderzoek sterke aanwijzingen dat een bloemenrand rondom het perceel met betrekking tot trips zelfs averechts werkt. De nuttige insecten prefereren de bloemenrand boven het gewas ui, én veel bloemgewassen trekken zelf ook nog eens actief trips aan. Conclusie na 2017: met alleen gaasvliegen en bloemenranden rondom gaan we het niet redden. Naast een bovengronds insectenleger hebben we ook een ondergronds insectenleger nodig, aldus Bierma. Bijvoorbeeld mijten en kevers. En mogelijk bankerfields, zodat insecten makkelijker het gehele perceel kunnen bestrijken. Zodra de tripspopulatie zich vanaf juni opbouwt, bouwen ook de populaties natuurlijke vijanden zich op. Gaasvliegen lukt dat sneller dan de roofmijt.BankerfieldsIn 2018 is op de percelen een proef met bankerfields in de spuitsporen uitgezet. Zes potentievolle bankerfieldgewassen werden getest: phacelia, komkommerkruid, rode klaver, siermais, vlas en wikke. Op drie plaatsen wordt gemonitord op de aanwezigheid van natuurlijke vijanden: in het bankerfield, direct naast het bankerfield en enkele meters verderop in het gewas. Zowel het gewas zelf als de bodem onder het gewas is hierbij bemonsterd.In 2019 is de proef herhaald, maar toen met phacelia, komkommerkruid en als nieuw gewas Oost-Indische kers. De andere vier uit 2018 bleken op basis van dat ene jaar onderzoek geen noemenswaardig effect te hebben.Een bankerfield laten slagen blijkt een opgave. Wanneer zaaien? Hoe ga je om met veronkruiding? Maaien of laten bloeien? In die jaren bleek bijvoorbeeld dat komkommerkruid niet rijp moet worden, omdat de oliehoudende zaden het jaar erop veel opslag kan veroorzaken.Bankerfields zijn geen volwaardig alternatief voor chemie tegen tripsUit tellingen bleek de aanwezige biodiversiteit aan insecten divers. Zo werden op perceel X in juni 200 trips per 10 planten geteld, terwijl er zich op perceel Y in 10 uien 4.000 trips ophielden. Het aantal gaasvliegen in juli op perceel X (geïntegreerd) 0,7 per plant, en op perceel Y (veelvuldig gebruik pyrethroïde) slechts 0,1. Nog opvallender was dat op 8 september op perceel Y geen enkele gaasvlieg meer werd aangetroffen, alleen mijten. In de nultelling was de diversiteit aan insecten op perceel X veel groter dan op perceel Y. Wanneer de diversiteit veel groter is, is de kans dat nuttige insecten zich kunnen manifesteren ook veel groter, aldus Ermers. Dat toont aan dat je niet puur moet kijken naar één insect, maar dat het gehele bodemcomplex van groot belang is. De basis voor biodiversiteit is een gezonde bodem. De bodem moet aantrekkelijk zijn voor bodemleven, wat bijvoorbeeld bevorderd kan worden door de aanvoer van energierijke organische stof. ConclusiesDe toegepaste inzet van bankerfields in spuitsporen levert een onvoldoende bijdrage in de beheersing van trips in uien en spruitkool. Ze levert wel een schat aan informatie rondom het geteelde gewas en mogelijke predatoren welke beslist bruikbaar is voor vervolgonderzoek naar een nog meer geïntegreerde aanpak van het tripsprobleem. Een weelderig bloeiend bloemengewas rondom het uienperceel is zonder twijfel goed voor de biodiversiteit en draagt bij aan het genot van de langsfietsende toerist, maar wanneer het gaat om plaagbeheersing moet de akkerrand vooral functioneel zijn. Voor de beheersing van trips als plaaginsect is een dergelijke bloemenrand ongeschikt. Duidelijk is dat wanneer je nuttige insecten een kans wilt geven, het gebruik van pyrethroïden – zeker vroeg in een teelt – daar niet bij past.De beschikbaarheid van selectieve insecticiden blijft noodzakelijk voor de beheersing van trips. Nuttige insecten kunnen weldegelijk een rol vervullen in een nog verder geïntegreerde aanpak. Uit alles druipt hoe complex deze materie is, concludeert Ermers. Bankerfields kunnen de beheersing van sommige plaaginsecten in bepaalde gewassen wellicht ondersteunen, maar heel veel vragen zijn nog onbeantwoord. Een duidelijk antwoord op de vraag of bankerfields het tripsprobleem oplost in uien is er al wel: “Nee. We hebben in het onderzoek veel kapstokjes gevonden die voor vervolgonderzoek erg interessant zijn, maar ik zou mijn jas er nog niet aan ophangen.” Uireka en een aantal andere partijen zoals CZAV met middelenfabrikant Corteva zetten het onderzoek voort. Potentie bankerfiels en natuurlijke vijandenBankerfields
*Phacelia +/+ bankergewas met de meeste potentie. Toename van nuttige insecten in het gewas alsook in de bodem. Beperkte invloed op trips direct naast de bankerfield.
*Oost-Indische kers + Oost-Indische kers heeft een positief effect in de grond en net naast het bankerfield in het gewas. Oost-Indische kers is landbouwkundig een lastig gewas, het heeft een trage beginontwikkeling, waardoor onkruid vrij spel heeft. Belangrijk is ook de niet rankende variant te nemen, want de rankende typen kruipen de uienbedden in.
*Komkommerkruid +/- komkommerkruid is een fijn gewas voor bestuivers, maar het tripseffect is minder positief. Het gewas heeft vocht nodig tijdens de opkomst. Komkommerkruid is winterhard en kan de volgende jaren dus opslag geven.
Insecten
*Gaasvlieg +/+ De populatieopbouw start redelijk op tijd en is in staat de populatieopbouw van de trips bij te benen. De Gaasvlieg kan vliegen, en heeft zodoende een groot bereik.
*Kortschildkever + De kever is mobiel, want het heeft vleugeltjes onder zijn korte schildjes. De kever is actief onder en boven de grond.
*Roofmijt + De roofmijt is ondergronds actief. Het beestje is erg temperatuurgevoelig. Als het heet en droog wordt zakt de roofmijtpopulatie erg snel in.
*Orius/Roofwants – Orius bouwt geen populatie op in uien. Eventueel uitzetten van roofwantsen in uien om trips te bestrijden zal waarschijnlijk vaker dan eens herhaald moeten worden en is daarmee voorlopig een te kostbare aangelegenheid.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









