Amper zicht op bedrijfssituatie bij fosfaatreductie

Paleis van Justitie - Foto: ANP
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft bij de individuele beoordeling van boeren die bezwaar maken tegen de fosfaatreductieregeling nauwelijks gekeken naar de specifieke situatie op die bedrijven.Dat bleek donderdag 26 juli tijdens de inhoudelijke zitting over het fosfaatreductiestelsel, dat vorig jaar de productie van fosfaat in de melkveehouderij onder het fosfaatproductieplafond moest brengen.Tijdens de zitting bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) gaf de advocaat van de minister aan dat er wel naar specifieke situaties was gekeken, maar kon daarbij niet aangeven hoe dat was gebeurd in de individuele gevallen die werden behandeld. De zitting bij het CBb was de inhoudelijke behandeling van een beperkt aantal melkveebedrijven die door verschillende advocaten naar voren zijn gebracht. Oude wet gebruiken is verkeerde noodgreepDoor de melkveehouders werd onder andere aangevoerd dat het ministerie het fosfaatreductieplan eind 2016 niet had mogen baseren op de Landbouwwet, omdat die wet niet bedoeld is voor het reguleren van de mestproductie. Advocaat Peter Goumans stelde dat het een verkeerde noodgreep was een wet uit het midden van de vorige eeuw aan te grijpen voor het reductieplan. Bovendien, zo voegde Jan Teun Fuller toe, was de regeling niet in lijn met de internationale regels voor bescherming van het eigendom. Hij benadrukte dat ondernemers het fosfaatreductieplan niet konden zien aankomen, hetgeen door advocaat Jean Paul Heinrich namens de minister van LNV werd weersproken. Volgens hem blijkt zowel uit mediaberichten uit de periode voor 2015 als uit politieke uitspraken van minister Verburg en later staatssecretaris Dijksma dat er is aangegeven dat de overheid maatregelen zou kunnen nemen om de mestproductie te beperken na de afschaffing van het melkquotum. Precedentwerking bij tegemoetkoming een bedrijfAdvocate Jacoline Kroon voerde aan dat de opgelegde geldsommen in het kader van de regeling in individuele gevallen disproportioneel zijn. De minister heeft zich bij het opleggen van die sommen geen rekenschap gegeven van de financiële situatie waarin bedrijven zich bevonden, zei juriste Marieke Toonders.Annet Spriensma, jurist van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, maakte duidelijk dat tegemoetkoming aan een van de bedrijven meteen betekent dat een hele groep van bedrijven op die manier behandeld moet worden. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven hoopt op 11 september uitspraak te doen. Rechter Stam zei daar meteen bij dat het ook later kan worden.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









