Foto: Hans Prinsen RundveeOpinie

‘Melkveehouder profiteert onvoldoende van prijsstijging zuivel’

De melkprijs die de boer krijgt blijft achter bij de sterke prijsstijgingen op de zuivelmarkt, signaleert Dick van Selm. Hij wil dat afnemers meer rendement maken en dat delen met de leveranciers.

De zuivelprijzen zijn in 2021 omhooggeschoten. De prijsnotering van 100 kilo boter is gestegen van € 340 in januari tot € 575 in december, de prijs van mager melkpoeder steeg van € 224 tot € 328 – een gemiddelde stijging van 67%. Ook de boerenmelkprijs steeg; van € 35,00* tot bijna € 45,00 per 100 kilo. Over heel 2021 gerekend is de melkprijs 11% hoger dan over 2020.

De melkveehouder ziet maar nauwelijks iets van de prijsstijging in de markt in zijn portemonnee terug. De kosten op het veehouderijbedrijf zijn immers even hard tot harder gestegen. Momenteel loont het beter om uit boerenmelk restproducten als boter en melkpoeder te maken en te verkopen, dan toegevoegde waarde producten als speciaalkazen, eiwitdrankjes, babyvoeding of toetjes. Dat is raar: heeft de zuivelindustrie de kosten of de afzetprijzen niet in de hand?

Hoe zit het dan met de zuivelmarkt?

Boter en mager melkpoeder zijn voor de prijsbepaling van boerderijmelk wezenlijk. Dit zijn de restproducten van de zuivelverwerking: als de boerenmelk niet in andere producten tot waarde kan worden gebracht, wordt de melk tot boter (melkvet) en mager melkpoeder (eiwit en lactose) verwerkt. Als zuivel moeilijk zijn afzet vindt, wordt er meer boter en poeder geproduceerd en staan de prijzen van deze producten onder druk. Gaat de afzet van zuivelproducten gemakkelijk(er) of is het aanbod van melk krapper, dan wordt minder boter en poeder bereid en gaan de prijzen stijgen. In andere woorden: uit de verkoopprijzen van boter en poeder kun je een prijs voor de boerenmelk afleiden die als het ware de minimumwaarde weerspiegelt.

In 2021 heeft de zuivelindustrie de grote prijsstijgingen van boter en poeder niet in de prijs van de andere zuivelproducten weten te vertalen. De handel en de grootwinkelbedrijven hebben zich gericht op instandhouding van de eigen rendementen en het indammen van de inflatie.

Grondstofwaarde

Een Duitse instelling heeft een model ontwikkeld dat uit de actuele handelswaarde van boter en poeder in West-Europa de waarde van boerderijmelk calculeert. Het Institut für Ernährung (IFE) publiceert maandelijks de Kieler Rohstoffwert op grond van de noteringen voor boter en poeder. Je zou kunnen zeggen: een soort van actuele boeren-minimummelkprijs. Als je de Kieler Rohstoffwert afzet tegen de werkelijk uitbetaalde gemiddelde melkprijs van zuivelondernemingen dan zie je precies hoeveel toegevoegde waarde de industrie, handel en detailhandel weet te realiseren. Voor 2021 levert dat de onthutsende conclusie dat de boerenmelkprijs in het afgelopen jaar gemiddeld bijna € 3,00 per 100 kilo lager lag dan de prijs die had kunnen worden bereikt wanneer de zuivelindustrie er (geen merkproducten, maar) boter en poeder van had gemaakt voor de dagelijkse bulkmarkt!

Volgens de zuivelindustrie zijn hiervan de oorzaken:

  •  Tragere doorwerking van prijzen in andere delen van het zuivelassortiment. Wij hebben dit eens nagerekend. Dit dempende effect bedraagt het afgelopen jaar omgerekend in boerenmelkprijs ongeveer € 2,50 per 100 kilo. Daarmee scoort de zuivelindustrie over 2021 gemiddeld nog steeds bijna € 0,50 onder de Kieler grondstofwaarde.
  • Hogere (energie)kosten. Deze zitten in de berekening van ‘Kiel’. Maar ook dat is niet doorslaggevend, als je het narekent.

De harde conclusie is dat de toegevoegde waarde op producten afgelopen jaar de melkveehouder hooguit hetzelfde hebben opgeleverd als de afzet van boter en poeder in bulk. Als de redenering van de zuivelindustrie over de prijsvertraging klopt, dan zullen melkveehouders het komende jaar een inhaaleffect mogen verwachten. Wij zijn benieuwd.

Over een langere periode gerekend heeft de zuivelindustrie jaarlijks € 0,50 tot € 3,00 boven de Kieler grondstofwaarde uitbetaald. Toen lukte het de zuivelindustrie de toegevoegde waarde producten met meerwaarde te verkopen. De laatste 5 jaar zien we dat deze meerwaarde voor de melkveehouder daalt naar gemiddeld € 1,00. Dat is weinig, zeker als je bedenkt dat de Nederlandse melkveehouder de allerbeste melk ter wereld produceert.

Wederkerigheid

Wij dringen er al een aantal jaren op aan dat melkafnemers (in ons geval Vreugdenhil Dairy Foods) meer rendement op boerderijmelk maken en dat delen met de trouwe leveranciers. Het afgelopen jaar is de meerwaarde voor toegevoegde waarde producten dus verdampt.

Het streven van melkveehouder en zuivelindustrie moet erop gericht zijn om meerwaarde te bereiken die structureel boven de marktwaarde van de basisproducten boter en poeder ligt. De melkprijs zou structureel € 4,00 tot € 5,00 boven de Kieler Rohstoffwert moeten liggen.

Dit is nodig om investeringen in duurzaamheid en onderscheidende kwaliteit te kunnen doen. Daarnaast hebben melkveehouders net als de andere schakels in de keten recht op een reëel rendement op hun bijdrage aan de voedselvoorziening. Een uitbetalingssysteem voor boeren dat transparant is over de gerealiseerde meerwaarde in de zuivelmarkt is nodig om ook de andere schakels in de zuivelketen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een gezonde prijsvorming.

* Waar in dit artikel wordt gesproken over de melkprijs wordt verwezen naar een gecalculeerde melkprijs bij gestandaardiseerde melkgehalten van 4,42% vet en 3,57% eiwit van 100 kg melk.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief zuivelmarkt en ontvang maandelijks gratis artikelen die normaal alleen te lezen zijn voor abonnees.
Beheer
WP Admin