Hoger kraamstalrendement met planmatige werkwijze

Foto: Ronald Hissink
Zoveel mogelijk biggen bij hun eigen moeder grootbrengen, vraagt om uitgekiend kraamstalmanagement. Een rekenmodel helpt de juiste keuzes te maken.Het rendement in de kraamstal zal op veel varkensbedrijven stijgen door planmatiger en meer gestructureerd te werken. Voor diervoederbedrijf Liprovit reden om samen met zijn dealers een rekenhulp te ontwikkelen om varkenshouders inzicht te verschaffen in het kraamstalrendement. De naam luidt: Rekenmodel toommanagement. De eerste dealer die met dit model de boer op gaat, is logischerwijs mengvoerbedrijf Gebr. Fuite, het moederbedrijf van Liprovit. Bied biggen onbeperkte melkvervanger en prestarterHet streven bij deze vorm van rendementsbenadering is om zoveel mogelijk biggen bij de zeug groot te brengen en zo minimaal mogelijk biggen over te leggen of pleegzeugen te maken. De bedoeling is ook dat de biggen veel moedermelk krijgen, aangevuld met melkvervanger en prestarter om het beoogde speengewicht te bereiken. Zeugenmelk is immers het goedkoopst en geeft nog altijd de beste resultaten bij de biggen. Het één staat het ander ook niet in de weg. Bij Liprovit en de betreffende dealers is men van mening dat een onbeperkte opname van melkvervangers en prestarter niet ten koste gaat van de opname van moedermelk doordat biggen ‘lui’ worden, zoals varkenshouders soms vrezen. Het werkt volgens hen juist andersom. Als biggen veel aanvullend voer opnemen in de kraamtijd, drinken ze juist meer melk en stimuleren ze zodoende de melkproductie van de zeugen. Het één versterkt juist het ander. Gebruik rekenmodelHet rekenmodel begint met het invoeren van de uitgangspunten in de calculator. De variabelen zijn onder meer het aantal levendgeboren biggen, uitval kraamstal en beoogd speengewicht, zie overzicht. Tekst gaat verder onder de tabel. Aan de hand van deze basisgegevens wordt een plan gemaakt hoe een varkenshouder het rendement in zijn kraamstal kan verhogen én de bigoverleving verbetert. Deze vier opties, of tussenvormen daarvan, zijn mogelijk: Pas geen toommanagement toe en voer geen melkvervanger.Werk zonder toommanagement, maar verstrek wel, en onbeperkt melkvervanger en prestarter aan de biggen.Maak pleegzeugen. Voer biggen onbeperkt bij met melkvervanger en prestarter in combinatie met het zogeheten 2/40-systeem. Bij deze laatste optie worden drie tomen biggen bij twee zeugen grootgebracht (twee zeugen met veertig biggen in een hok). De overige biggen worden verdeeld over de moeders en de beschikbaar gekomen pleegmoeder. Het advies is om het 2/40-systeem toe te passen bij biggen vanaf tien dagen oud. Deze biggen beschikken met het 2/40-systeem over een soort van warm en koud buffet, zoals bedrijfsadviseur Klaas Bergsma van Gebrs. Fuite het omschrijft. Ze kunnen afwisselend aan de uier drinken en melkvervanger opnemen. Voor iedere optie of tussenvorm geldt overigens dat het maximaal aantal functionerende spenen, plus één, het aantal biggen is dat een zeug maximaal kan zogen. Tekst gaat verder onder de foto. Een voorbeeld van de 2/40-aanpak. Twee zeugen voeden samen 40 biggen, aangevuld met melkvervanger uit een voerautomaat. - Foto: Ronald HissinkKeuzevrijheid voor boerHet hangt af van de uitgangssituatie, mogelijkheden in de stal en doelstellingen van de varkenshouder welke optie op een bedrijf wordt nagestreefd of overgenomen. Een ding is sowieso de bedoeling van de rekentool, namelijk dat herleidbaar en meetbaar wordt hoe het in de kraamstal draait. De dealers van Liprovit zien nu nog vaak dat op varkensbedrijven enige vorm van gestructureerd toommanagent ontbreekt en beslissingen veel ad-hoc gemaakt worden. Een volgende situatie is dan denkbaar: een medewerker legt in de ochtend een big of meer biggen over. Een andere medewerker legt later op de dag dezelfde big nog eens over. De stoelendans wordt afgesloten door de varkenshouder zelf, die aan het eind van de dag de big terug legt bij zijn echte moeder. Het enige dat is bereikt in dit voorbeeld is de overdracht van ziektekiemen tussen tomen en de nodige arbeid, met nul resultaat. Vaak wordt dan op basis van uniformiteit biggen overgelegd, zien de mensen van Liprovit. Het resultaat is dat zonder afgewogen toommanagement en zonder inzet van melkvervanger het dikwijls gebeurt dat er na tien dagen zogen gemiddeld een big per melkgevende speen minder aan de zeug ligt in een afdeling en er onnodig veel pleegzeugen zijn gemaakt. Het gevolg is dat niet het maximale rendement uit de kraamstal wordt gehaald, per kraamhok of functionerende spenen, afhankelijk van het uitgangspunt waarmee wordt gerekend. Positief effect op diergezondheid, economie en dierenwelzijnGoed kraamstalmanagement heeft meerdere, positieve neveneffecten. De biggen blijven in hun eigen afdeling, zoveel mogelijk bij hun eigen moeder. Dit komt de diergezondheid ten goede en verlaagt de uitval. Een hoge bigoverleving en meer vitale biggen spenen is goed voor het dierenwelzijn en tegelijk financieel interessant. Uit maatschappelijk oogpunt gezien is dit dus ook belangrijk. Tot in de Tweede Kamer is er aandacht voor biggensterfte. En zeker niet onbelangrijk is dat een goed draaiende kraamstal het werkplezier verhoogt. Veel zeugenmelk vereistHet is mogelijk een hele afdeling tegelijk te spenen met het 2/40-systeem. Deze vorm van toommanagement voldoet ook aan wettelijke criteria, betogen de bedenkers ervan. De biggen worden immers niet moederloos opgefokt. Het bijvoersysteem neemt de rol van de pleegzeugen over. Minder zeugen insemineren om ruimte te hebben voor pleegzeugen is simpelweg fout, volgens de bedenkers van deze aanpak. Dat kost geld en leidt tot onnodig overleggen van biggen. Een voorbehoud is ook op zijn plaats. Deze vorm van toommanagement met zoveel mogelijk biggen bij hun eigen moeder grootbrengen werkt alleen op bedrijven waar veel melk onder de zeugen zit. Dat is vanzelf op ieder bedrijf een eerste vereiste. Als de melkproductie van de zeugen achterblijft, is het zaak deze eerst te verhogen. De ontwikkelaars van de rekentool beschikken over veel cijfers van de bedrijven die ze begeleiden. Ze kunnen zodoende een goede inschatting maken van het effect van bepaalde keuzes op bijvoorbeeld de voeropname tijdens zogen en het verwachte speengewicht. Voor het berekenen van de financiële component hebben de dealers van Liprovit-biggenvoeders een aparte rekenhulp. Daarmee wordt becijferd hoe groot de investering is in een bijvoersysteem, desgewenst aangevuld met het 2/40-systeem en wat de verwachtte meeropbrengsten zijn. Dan wordt onder de streep zichtbaar hoezeer de investeringen lonen. De variabelen en uitkomsten van zo’n calculatie zijn vanzelfsprekend voor elk bedrijf verschillend.Meer biggen niet automatisch winstgevendDe gestegen biggenproductie verlangt van varkenshouders om weloverwogen keuzes te maken in de stal. Bedrijven in de periferie zien dat ook. Fokkerijorganisatie Topigs Norsvin heeft een rekenmodel om de effecten van aanpassingen in de bedrijfsopzet financieel in beeld te brengen, dus ook in de kraamstal. Stalinrichter Vereijken Hooijer werkt met het begrip Toomrendement. De modellen helpen om een aanpak te vinden die resulteert in het maximaal aantal vitale biggen per zeug, waarbij de kosten worden vergoed. De bedrijven willen met hun rekenmodellen varkenshouders bewust maken wat het effect is van hun keuzes, er moet niks.
De productie is niet het probleem op de bedrijven. De kunst is om zoveel mogelijk biggen gezond op te fokken bij hun eigen moeder. In het model van Topigs Norsvin gaat speciale aandacht uit naar het maken van pleegzeugen en moederloze opfok. Moederloze opfok kost geld, volgens de fokkerijorganisatie. En het maken van pleegzeugen heeft als keerzijde dat de benutting van de kraamstal sterk afneemt. De meest gestelde vraag is of een extra big wel rendabel is. Als alle meerkosten worden geteld, is dat in veel gevallen niet zo, volgens Topigs Norsvin.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









