50 jaar verhalen over kip, ei en kuiken

Foto: Pluimveehouderij/Misset
Op 8 januari 1971 verscheen het eerste nummer van De Pluimveehouderij, een nieuw vakblad voor pluimveehouders van Misset en de NOP. Dit jaar, 2020, zijn we toe aan de 50e jaargang. Daarin blikken we in elk nummer terug op 50 jaar vakblad Pluimveehouderij. Op ontwikkelingen, hoogtepunten en dieptepunten in de pluimveesector.In 1971 werd een nieuw vakblad voor pluimveehouders geboren: De Pluimveehouderij. Ontstaan uit een samensmelting van De Bedrijfspluimveehouder van uitgeversmaatschappij C. Misset N.V. en De Nederlandse Pluimveehouderij, het lijfblad van de in 1966 opgerichte Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP) die tot doel had ‘de belangen van de pluimveehouders te dienen’.Snelle ontwikkeling in pluimveehouderijDe snelle ontwikkelingen in de pluimveehouderij waren het voornaamste uitgangspunt voor de fusie van de twee titels. Daarmee werd enerzijds gedoeld op het steeds kleiner wordende aantal pluimveehouders wat te beperkt was om in de toekomst nog ruimte te bieden voor twee pluimveebladen. Dat vermeldde De Nederlandse Pluimveehouderij in november 1970, waarin het samengaan van de twee pluimveebladen wordt aangekondigd. “Anderzijds is het duidelijk, dat het niveau van de pluimveehouders steeds stijgt. Het niveau en de kwaliteit van het vakblad dient nog sneller te stijgen. Vooral de mogelijkheid tot kwaliteitsverbetering is voor de NOP doorslaggevend geweest bij de beslissing. Alleen het beste wat verzameld kan worden aan voorlichting en berichtgeving kan de huidige pluimveehouders nog van dienst zijn. Daarom is het nuttig om deze informatie te bundelen en in één blad aan te bieden.”Gunstig voor pluimveehouders en het bedrijfslevenHet was dan ook de bedoeling de lezers vanaf 1 januari 1971 een beter blad aan te bieden, wat betreft de inhoud en de presentatie. Een blad dat leden van de NOP gratis zouden ontvangen als onderdeel van hun lidmaatschap.Een nieuw blad was niet alleen gunstig voor de pluimveehouders, op wie het op de eerste plaats gericht is, maar lijkt ook gunstig voor het op de pluimveehouders gerichte bedrijfsleven. “Men kan dan immers door middel van één blad alle pluimveehouders bereiken.”Cartoons van Emil van BeestVanaf het allereerste begin tot ergens in 1988 stond er in (bijna) elk nummer van Pluimveehouderij een cartoon van Emil van Beek. Altijd over kippen en/of eieren. En met een vette knipoog. De cartoon hiernaast sloeg op de ‘legwedstrijden’ die in de beginjaren van Pluimveehouderij op meerdere plaatsen in Nederland werden gehouden. Op de toetsbedrijven in Putten, Leidschendam en Wissenkerke werden verschillende legrassen met elkaar vergeleken onder praktijkomstandigheden. Bedenk: in die tijd waren er nog veel fokkers van leghennen. Niet zelden werden de testuitkomsten, mits ze goed waren tenminste, door fokbedrijven gebruikt in hun advertenties.Foto's: Pluimveehouderij/MissetMogelijk nadeel van samengaanEr werd ook een mogelijk nadeel aan het samengaan voorzien: “Omdat het nieuwe pluimveeblad het officiële orgaan zou worden van de NOP zou dat ertoe kunnen leiden dat de pluimveehouders in het vervolg uitsluitend een NOP-mening over bepaalde zaken zouden kunnen lezen. Dat is niet de bedoeling. Het is de mening van het NOP-bestuur, dat de lezers zich zo ruim mogelijk moeten kunnen oriënteren.”Vrije meningsuitingOm dat mogelijk te maken was besloten om in De Pluimveehouderij een vrije tribune op te nemen. Hierin zouden alle meningen tot uiting kunnen komen, onder meer in de vorm van ingezonden brieven. Maar ook: “De redactie zal zeker ook aan diverse deskundigen, waarvan verwacht wordt of bekend is, dat ze een andere mening hebben dan de NOP vragen om deze mening kenbaar te maken. Een vrije meningsuiting blijft niet alleen gewaarborgd, maar zal zelfs gestimuleerd worden.”Het eerste nummer van De Pluimveehouderij werd op 9 januari 1971 bij de abonnees bezorgd.Een halve eeuw geledenOp internet is te lezen wat er in het geboortejaar van DePluimveehouderij zoal gebeurde: prinses Beatrix opende attractiepark Flevohof; de Haringvlietdam, die sinds 1970 de Haringvliet afsloot, werd officieel in gebruik gesteld; boeren in Tubbergen kwamen in opstand vanwege de ruilverkaveling; Pluk van de Petteflet, het succesvolle kinderboek van Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp verscheen. Om maar enkele gebeurtenissen te noemen.Pseudo-vogelgriep in 1970Om te zien wat er in pluimvee-Nederland dat jaar gebeurde, slaan we de eerste jaargang erop na.Het jaar 1971 begon in mineur vanwege grote uitbraken van pseudo-vogelgriep (NCD) in 1970 waardoor een noodsituatie dreigde en het hoofdbestuur van de NOP in spoedvergadering bijeenkwam. “Ten gevolge van grenssluitingen veroorzaakt door pseudovogelpest in ons land dreigt een noodsituatie in de legsector die zijn weerga niet kent”, zo vermeldde het eerste nummer van De Pluimveehouderij. De overheid had een opkoopregeling voor consumptie-eieren ingesteld. Voor de opslag door exporteurs van circa 30 miljoen verse Nederlandse kippeneieren. Waarbij aan pluimveehouders ongeveer 8,5 cent werd uitbetaald (hetgeen door de NOP veel te laag werd geacht).Later is te lezen dat de totale verliezen die de legpluimveehouderij in 1970 ten gevolge van de lage prijzen in totaal heeft geleden, op basis van LEI-gegevens, kunnen worden becijferd op ƒ100 miljoen.Structuur: verder specialisatieDe structuur van de Nederlandse pluimveehouderij een halve eeuw geleden is in de ogen van nu kleinschalig. Vooral in de leghennenhouderij. Die telde in 1970 bijna 50.000 bedrijven met in totaal bijna 18 miljoen kippen. Daarbij waren bijna 36.000 bedrijven met minder dan 100 kippen. Het aantal bedrijven met meer dan 1.000 kippen bedroeg 3.926, 8,1% van het totaal aantal bedrijven met leghennen. Op deze groep bedrijven werd 80% van de leghennenstapel gehouden.Het aantal bedrijven met legkippen in 1970 was al ongeveer 8.000 lager dan in 1969, terwijl de leghennenstapel met 2 miljoen dieren was gegroeid. Vooral het aantal bedrijven tot 100 hennen was sterk gedaald, met pakweg 5.000 stuks, terwijl het aantal bedrijven met meer dan 2.000 hennen was gegroeid.Kippen op de grond met beun was begin jaren zeventig gebruikelijk. Eind jaren tachtig werd dit bekend als scharrelkippenhouderij.Grotere bedrijvenIn de toelichting op de cijfers vermeldde de Rijksvoorlichtingsdienst voor de Pluimveehouderij: “Reeds algemeen wordt de norm van 5.000 hennen gehanteerd als eenheid, die nog aansluiting heeft bij de verdere ontwikkelingen. Men verwacht dat deze zal gaan richting verdere specialisatie tot bedrijven met 10 à 15.000 leghennen (eenmansbedrijven) of enkele tienduizenden leghennen (twee- en driemansbedrijven). Dat zal tot gevolg hebben, dat de pluimveehouderij in toenemende mate het traditionele gemengde bedrijf zal verlaten.”Meer gespecialiseerdDe pluimveevleessector was in die jaren al meer gespecialiseerd, met minder kleine en meer grote bedrijven. Van de 2.825 bedrijven met mestkuikens in 1970 (55 bedrijven meer dan in 1969) waren er 2.045 (72,4%) met meer dan 5.000 dieren. Op deze grotere bedrijven werd 93,3% van de mestkuikenstapel gehouden.Gemiddelde eenheidDe gemiddelde eenheid was zo’n 10.000 kuikens per opzet. Men verwachtte dat de eenheden per bedrijf nog belangrijk zouden stijgen tot een gemiddelde van 20.000 tot 30.000 kuikens per opzet.“Ongeveer 40.000 kuikens per opzet vergen thans een volledige arbeidskracht.”De Rijksvoorlichtingsdienst voor de Pluimveehouderij was de opvatting toegedaan “dat een eventuele ontwikkeling naar mammoetbedrijven eerder op remmende invloeden zal stuiten dan in de legsektor, met name door de onvermijdelijke hoge ‘arbeidstoppen’ en de ziekterisico’s.”Wat het aantal mestkuikenbedrijven betreft, rekent men met een lichte afneming naar circa 2.500 gespecialiseerde bedrijven.”80% in zandgebiedenOver de structuur in die tijd kan nog worden opgemerkt dat ongeveer 80% van de pluimveehouderij is geconcentreerd in de zandgebieden van Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. “De laatste jaren is op te merken, dat de pluimveehouderij vooral de legsektor, naar bepaalde gebieden verschuift, voornamelijk naar het Zuiden. Dat gaat ten koste van Overijssel en Gelderland.”Veel opmerkelijke zakenIn de eerste jaargang van De Pluimveehouderij staan veel opmerkelijk zaken en worden onderwerpen besproken die ook nu nog interessant zijn.In de schaduw van de kuikenmesterij ontwikkelde zich een nieuwe tak: de kalkoenenhouderij. Er werd rekening gehouden met zo’n 500 gespecialiseerde bedrijven.Een dwaze situatieDe NCD-situatie legde ‘een dwaze situatie’ bloot, zo was te lezen in het commentaar van een van de eerste nummers van De Pluimveehouderij. Daarbij werd gedoeld op de Economische Gemeenschap. “Volgens de EEG-verordeningen voor eieren en pluimvee is er binnen de zes landen één markt met gelijke voorwaarden. Er is echter nog steeds niet één beleid op het gebied van veeartsenijkundige maatregelen. Een land dat weliswaar gebukt gaat onder een bepaalde veeziekte, maar dat ‘officieel’ niet weet, kan rustig zijn grenzen sluiten voor een ander land dat ‘officieel’ alles weet. Het blijkt dringend gewenst dat er meer eenheid komt met betrekking tot dat ‘officieel weten’.”Verstrekken van subsidiesDe EEG kwam later dat jaar nog een keer terug in een redactioneel commentaar, in november. Onder de kop De EEG wint aan belangrijkheid!! staan enkele opmerkelijke zaken. Bijvoorbeeld over het verstrekken van subsidies aan de veredelingssector (varkens, kippen) en de tuinbouw. “Nederland stelt zich op het standpunt, en terecht naar onze mening, dat wanneer in deze bedrijfstakken in de producentensector gesubsidieerd wordt, dit ongewenste uitbreiding van de productie zal veroorzaken. Juist op het moment dat iedereen naarstig zoekt naar middelen om de productie in de hand te houden, zou het een dwaasheid zijn om met andere middelen de productie te stimuleren.”Toetreding van het Verenigd KoninkrijkDatzelfde commentaar vermeldt dat de EEG aan belangrijkheid heeft gewonnen door de toetreding van het Verenigd Koninkrijk. Het Britse Lagerhuis had daar eind oktober mee ingestemd. “Engeland zal in zijn kielzog ook Denemarken, Noorwegen en de republiek Ierland meenemen.” De Deense regering had al besloten dat Denemarken bij de EEG komt, iets waarover het Deense volk zich nog in een referendum mocht uitspreken. “Al deze nieuwe leden van de EEG brengen, met name op het gebied van de landbouw, hun eigen problemen mee, die gedurende een overgangsperiode opgelost moeten worden. We vragen ons wel af of in de EEG van tien landen besluitvorming soepeler zal verlopen dan bij de zes.”Technische prestaties: nog veel te winnenHet moge duidelijk zijn: de productieresultaten van leghennen en vleeskuikens (of mestkuikens zoals ze destijds werden genoemd) van 50 jaar geleden zijn niet te vergelijken met de huidige productiecijfers. De afbeeldingen van de productie van Hisex bruin (links) en Hisex wit (rechts) in een advertentie van fokbedrijf Euribrid, illustreren dat. Een advertentie van ‘Peel’s Breeder Broiler’ vermeldde op basis van meer dan 200.000 kuikens per opzet, gemiddeld een aflevergewicht van 1.411 gram in 48 dagen. De bijbehorende ‘voeromzetting’ was 1,94.Andere opmerkelijkhedenMest was ook toen al een probleem. Zoals ook bleek uit een artikel met als intrigerende kop Voor hoeveel dierlijke mest is plaats per provincie. Aanleiding voor dit artikel was dat in sommige provincies gebieden voorkwamen waar op de bedrijven veel meer mest werd geproduceerd dan kon worden opgenomen. “Deze ophopingen van mest komen vooral voor in Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. Dit overschot aan mest moet naar andere land- en tuinbouwgebieden worden afgevoerd.”SlachtkuikenbatterijIn het streven naar een zo laag mogelijke kostprijs is een nieuw houderijsysteem voor vleeskuikens in ontwikkeling: de slachtkuikenbatterij. In allerlei landbouwbladen werden artikelen gepubliceerd omtrent het houden van slachtkuikens op de batterij en werden de voor- en nadelen ervan belicht. In een artikel in januari 1971 werd geconcludeerd dat de overgang naar de mestkuikenbatterij met grote problemen gepaard zal gaan. “Toch zullen deze problemen overwonnen dienen te worden en moet de ontwikkeling doorgaan, omdat we anders gaan achterlopen ten opzichte van het buitenland. Dan zou het weleens kunnen gebeuren dat zelfs het mesten op de grond een verliesgevende zaak wordt.”Allerwege werd gezocht naar mogelijkheden om de arbeidspiek van het laden van slachtkuikens te mechaniseren. Om tijdwinst en arbeidsbesparing te boeken. “Al kan men op veel plaatsen nog wel aan arbeidskrachten komen, de kosten hieraan verbonden, stijgen gestaag.”Hennen moeten zich aanpassenOok interessant was (en is) het artikel Jonge hennen moeten zich kunnen aanpassen, waarin staat dat het overbrengen van legrijpe jonge hennen van opfokbedrijf naar het productiebedrijf voor de dieren een ernstige stress is. De hennen moeten zich aanpassen aan hun nieuwe omgeving. “Vooral is dat het geval als de dieren op roosters zijn opgefokt en nu in kooitjes gehuisvest worden. Van vrije beweging naar cellulaire opsluiting is een hele overschakeling en het eist van de pluimveehouder heel wat inzicht en takt om die overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen.” En dat geldt nog steeds.Veranderingen in het pluimveevakbladIn de 50 jaar dat Pluimveehouderij verschijnt, heeft het blad verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan. De eerste kwam al na een jaar, toen de donkergroene voorkant werd vervangen door een lichtere kleur groen, wel met op elke voorpagina één of enkele zwart-witfoto’s en enkele teksten die verwijzen naar artikelen in het blad.In 1976 kreeg het blad een bruine voorkant over een zwart-witfoto, zonder teksten. Ook werd het formaat iets kleiner. En verdween ‘De’ uit de titel.Het jaar erop werd de bruine kleur van de voorpagina vervangen door het vertrouwde groen.In 1983 ondervond Pluimveehouderij weer een gedaanteverwisseling: paginagroot beeld op de cover met een nieuwe lay-out van de titel plus het logo van de NOP. Drie jaar later kwam de titel in kapitalen (hoofdletters) op het omslag.In 1990 volgde een ingrijpende verandering: een kleurenvoorplaat!Van weekblad naar maandbladZo volgden er nog verschillende gedaanteverwisselingen. Een rigoureuze verandering vond plaats in 2007: het vertrouwde weekblad werd een maandblad. Met uitsluitend afbeeldingen van pluimvee (of eieren) op de voorplaat. Door ontwikkelingen met internet was het niet langer noodzakelijk om elke week te verschijnen. Nieuws en markt- en prijsinformatie kon men ook via internet tot zich nemen. Voor degenen die dat (nog) niet konden, werd elke week nog een nieuwsbrief van vier pagina’s gemaakt, waarvan twee pagina’s met prijzen. Binnen een jaar werd die gedrukte nieuwsbrief afgeschaft en verscheen de gedrukte Pluimveehouderij in een driewekelijkse frequentie. Aangevuld met twee digitale nieuwsbrieven per e-mail.Recente veranderingenPer augustus 2017 kreeg Pluimveehouderij opnieuw een nieuw logo en ook een iets kleiner formaat. Recent zijn we afgestapt van uitsluitend foto’s van pluimvee op de voorplaat en proberen we de voorplaat te laten aansluiten bij het hoofdartikel.Met ingang van dit jubileumjaar nog een kleine ‘cosmetische’ verandering: het lettertype is een ietsiepietsie groter gemaakt, om de leesbaarheid te bevorderen.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Al geabonneerd?
Lees onbeperkt Premium artikelen met een abonnement
Boer beter met onbeperkte toegang tot alle artikelen
Speel beter in op jouw markt met actuele prijzen
Vorm je eigen mening met opinies en analyses









