Na de bekendmaking dat er varkenspest in Nederland was, verschenen er in korte tijd overal blauwe borden. Een schrikbeeld voor boeren, om zo'n bord te hebben en om te zien bij anderen. - Foto: Mark Pasveer BoerenlevenAchtergrond

Varkenspest na 25 jaar nog altijd een pijnplek

Toen op 4 februari 1997 in Venhorst (N.-Br.) varkenspest werd vastgesteld, waren al tientallen bedrijven besmet. De aanpak trok diepe sporen in de sector.

Bij de start van het jaar 1997 had Nederland geen grotere zorgen dan het ijs bij Harlingen en Bartlehiem. Zou dat dik genoeg worden om de tocht der tochten door te kunnen laten gaan? Op 2 januari kwamen de verlossende woorden: it giet oan! En op 4 januari was het dan echt zover. Hossende menigten zagen hoe spruitkoolteler Henk Angenent als eerste over de finish kwam. Een Elfstedentocht en ook nog een boer als winnaar, kon het mooier?

Niemand had kunnen denken dat de situatie een maand later volledig zou omslaan. Terwijl de schaatsers in Leeuwarden vertrokken, was er in Joegoslavië een paar weken eerder al iets heel anders vertrokken: het varkenspestvirus.

Besmette swill gevoerd

Onzichtbaar voor het menselijk oog reisde het varkenspestvirus eind 1996 met militairen mee naar een kazerne in Duitsland. Daar werden de etensresten gretig afgenomen door een varkenshouder in Paderborn die deze swill aan zijn varkens voerde. Toen niet veel later zijn varkens ziek werden en doodgingen, schrok hij zich een hoedje. De link met de swill was snel gelegd, de dreigende boete ook. Snel begroef hij de dode dieren op het eigen erf, maar het was al te laat. Op het bedrijf van de buurman werd varkenspest gevonden en het spoor leidde terug naar de ‘swillboer’. Duitse tv-ploegen stonden er met hun camera’s bovenop toen de kadavers werden opgegraven.

Het voorval werd breed uitgemeten in de media, ook in de Nederlandse. De sector voelde wel een zekere dreiging, maar niemand lag er echt wakker van. Ook niet de veetransporteurs die ergens rond de kerstdagen van 1996 via Paderborn naar Nederland reden. Officieel moesten de wagens bij de grens grondig gedesinfecteerd worden. Goede voorzieningen daarvoor waren er niet en bovendien was het ijskoud. Men reed liever door of ontsmette alleen een beetje voor de vorm. Geen haan die ernaar kraaide.

Eerste zieke varkens in Brabant

Tot half januari varkens ziek werden op een bedrijf in het Brabantse Venhorst. Longontsteking, was de eerste gedachte, maar toen medicijnen niet aansloegen, werden dieren voor onderzoek opgestuurd naar de GD die op dat moment nog een vestiging had in Boxtel. Er kwam niks uit en ook het ID DLO in Lelystad, tegenwoordig het Wageningen Bioveterinary Research, vond niets. Intussen bleven in Venhorst varkens doodgaan.

De varkenshouder bood op zaterdag 30 januari opnieuw dode dieren aan bij de GD. Het was net te laat om ze die dag nog mee te nemen, ze gingen in de koelcel en op maandag 3 februari zouden ze als eerste bekeken worden.

De onderzoeker die de dieren toen op snijtafel kreeg, zag het meteen: foute boel, varkenspest. Om elke twijfel weg te nemen, werden diezelfde avond meer kadavers opgehaald in Venhorst om nader onderzoek te kunnen doen. Op 4 februari was het dan eindelijk klip-en-klaar, in Nederland was officieel varkenspest vastgesteld. Er werd een vervoersverbod ingesteld. In een cirkel van 10 kilometer rondom Venhorst mocht op 4 februari na 00.00 uur ’s nachts niet meer met varkens gereden worden.

Boeren in de omgeving hadden intussen al gehoord dat er iets niet pluis was. Waar het gerucht vandaan kwam, is nooit opgehelderd, maar het speelde vast mee dat op 3 februari rond het middaguur de slachtlijn van Sturko in Son op bevel van de Rijksdient voor de keuring van Vee en Vlees (RVV, nu de NVWA) meteen stilgelegd werd. Waarom? Omdat er een ‘ernstige verdenking van varkenspest’ was.

Wat al aan de gang was, kreeg toen een extra zwieper. Varkenshouders reden zo snel mogelijk zoveel mogelijk varkens weg uit het gebied. Iedereen wist wat een vervoersverbod inhield: dieren die de hokken uit zouden groeien, overbevolking, welzijnsproblemen, extra kosten voor voer en huisvesting en geen of minder opbrengsten voor dieren die veel te zwaar zouden worden voor de markt. Bij slachterijen buiten het beoogde pestgebied ontstonden files, er werden overuren gedraaid en intussen sleepte men onbewust het virus verder rond. Achteraf zou blijken dat er op het moment dat het eerste geval officieel werd vastgesteld, al tientallen bedrijven besmet waren.

Tekort aan mensen en materieel

Wat volgde was een ramp die zijn weerga niet kende. Niemand bleek voorbereid op een uitbraak als deze. Overheidsdiensten werkten langs elkaar heen, draaiboeken bleken verouderd, kennis en materieel ontbrak. Zo bleek het snel ingerichte crisiscentrum in Boekel maar drie telefoonlijnen te hebben die voortdurend bezet waren. Wie vragen had of iets door wilde geven, kwam er amper door.

Een andere misser was dat vervoersverboden niet werden afgekondigd in kranten en op de radio maar via een fax uit Den Haag. Die werd eerst verzonden naar een regionaal kantoor van de RVV en vandaar doorgefaxt naar het betreffende gemeentehuis. Daar moest het papier eerst op het publicatiebord gehangen worden zodat iedereen het kon zien. Pas dan was de tekst rechtsgeldig, meende de overheid, niet wetende dat deze werkwijze gebaseerd was op stok­oude wetgeving.

Vervolgens ging er meer mis. Zo kwam de allereerste fax pas binnen op het gemeentehuis van Boekel toen iedereen daar al naar huis was. Pas de volgende dag werd hij gevonden en opgeprikt en intussen gingen de varkens van hot naar her. ‘Laakbaar’ noemde de overheid dat, maar boeren deden niets strafbaars en de vrees voor overvolle hokken en een lege portemonnee zat hen op de nek.

In het begin ging iedereen ervan uit dat het virus niet verder zou komen dan Venhorst en omstreken en dat het met een paar weken vervoersverbod wel voorbij zou zijn. De praktijk haalde die hoop snel in. Het ene na het andere bedrijf bleek besmet, Odiliapeel, Gemert, Nederweert, Best, Rijsbergen, het ging maar door. De overheid nam draconische maatregelen en ging over tot preventief ruimen om het virus een halt toe te roepen. Het hielp niet, het zou zelfs nog erger worden toen bleek dat enkele beren op een ki-station in Wanroy besmet waren. Er zou gerotzooid zijn met bloedmonsters en er zou illegaal sperma naar België zijn geëxporteerd.

Toenmalig landbouwminister Van Aartsen noemde de bedrijfsvoering eerst ‘een rommeltje’ en later in de Tweede Kamer zelfs ‘een grote rommel’. Dat zag het Openbaar Ministerie anders, het ki-station viel niks te verwijten. De RVV daarentegen kreeg, mede door publicaties in Boerderij, een tik op de vingers: de dienst had de exportcertificeringen als administratieve hamerstukken behandeld zonder naar de werkelijke gang van zaken te kijken. Het was echter wel een feit dat besmet mengsperma het ki-station verlaten had. Ongeveer 50 besmettingen zouden hieraan toe te schrijven zijn en bijna 1.700 bedrijven werden verdacht verklaard. Dat sperma voor virusoverdracht kon zorgen, was iets dat niemand tot dan toe echt zeker wist.

Te weinig capaciteit om varkens te ruimen

Er raakten zoveel bedrijven besmet dat de ruimingscapaciteit tekortschoot. Het bleek te tijdrovend om elektrocutiewagens naar de boerderijen te rijden. Om sneller te kunnen werken, werd een rij wagens opgesteld op het terrein van mestverwerker Promest in Helmond. Media fotografeerden en filmden van bovenaf de stapels dode varkens, de beelden stuitten mensen binnen en buiten de sector verschrikkelijk tegen de borst.

Om de destructor wat ruimte te geven, werden gedode dieren deels opgeslagen om later vernietigd te worden. Het transport naar de vries- en koelcellen ging soms over grote afstand. Varkenshouders waren er woest over, de wagens waren niet altijd vloeistofdicht. Boeren zagen met eigen ogen vocht op de weg druppelen en vreesden verdere virusverspreiding. Na aanpassingen gebeurde dit tot ieders opluchting niet.

Een van de andere oplossingen was het doodspuiten van heel jonge biggen. Dat gebeurde door het middel T61 rechtstreeks in het hartje te injecteren. Transport en vergoeding van kleine biggen ging sneller en kostte minder dan dat van volwassen varkens. Het mocht dan een oplossing zijn, traumatisch was het ook. Iedereen die erbij betrokken was, ervoer het als een dieptepunt. Pers was niet welkom. Wie journalisten liet meekijken, zou gekort worden op de vergoeding. Extra pijnlijk was dat de dode biggen vanwege het gebruikte injectiemiddel niet naar de destructie mochten, maar als afval verbrand dienden te worden bij de vuilverbrander. Hoewel boeren vrijwillig voor de doodspuitmethode konden kiezen, was het ook weer niet zo heel vrijwillig. Niet meedoen, betekende namelijk geen financiële vergoeding.

Omdat dierenartsen niet meerdere worpen van dezelfde zeug wilden doodspuiten, volgde later een fokverbod. Aangezien de pestepidemie voorlopig nog niet voorbij leek te zijn, zouden boeren anders alleen maar biggen produceren voor de vernietiging. Toch waren ze boos en bezorgd: konden zeugen die een tijd gust hadden gestaan wel weer drachtig worden? Hoewel dit gewoon kon, waren er toch grote twijfels.

Angst en zorgen van boeren

Terwijl de overheid zich richtte op de bestrijding van het virus was er geen oog voor de boeren zelf. Niemand bekommerde zich om hun zorgen die toch echt aanzienlijk waren. Onnoemelijk groot was ook hun angst: ben ik de volgende? En als dat zo bleek te zijn: hoe moest het dan verder? Men vroeg zich af: kan ik ooit nog weer varkens houden, kom ik er ooit nog weer bovenop? Want de overheid had weliswaar een opkoopregeling ingesteld, vervolgschade van lege stallen en inkomstenderving, werd niet vergoed terwijl de vaste kosten wel doortikten.

Landbouwminister riep midden in de epidemie een nieuwe wet in het leven: de Herstructureringswet

En dan was er nog dat vingerwijzen van diezelfde overheid: alle rampspoed zou de schuld van de sector zelf zijn, zo ventileerden zowel de minister als de RVV in de landelijke media. Hadden ze maar beter moeten ontsmetten, hadden ze maar hun I&R bij moeten houden, hadden ze maar niet als kippen zonder kop met al die varkens moeten rijden, hadden ze maar niet… Voor boeren voelde dat alsof de strijd niet alleen gericht was tegen het pestvirus maar ook tegen henzelf. Dat gevoel werd versterkt toen Van Aartsen strafkortingen afkondigde op de vergoeding van opgekochte varkens: wie de administratie niet op orde had, kreeg 35% tot 70% minder uitbetaald.

Vervolgens riep Van Aartsen midden in de epidemie een nieuwe wet in het leven: de Herstructureringswet. Officieel ging het om de Wet Herstructurering Varkenshouderij, afgekort tot WHV en de bedoeling was onder meer om 14 miljoen kilo fosfaat ‘uit de markt te halen’ door de varkenshouderij met een kwart in te krimpen. Er zou een systeem van varkensrechten komen en meteen bij de invoering zou er 10% van afgeroomd worden. De overige 15% zou in de jaren daarop volgen.

De sector wist niet wat ze hoorde. Generiek korten, het was je reinste diefstal, aldus de belangenbehartigers. Kortom, de rapen waren gaar en niet zo’n beetje ook. Fel verzet volgde net als talloze rechtszaken die vooral de vakbond voor varkenshouders, de NVV, aanspande. Uiteindelijk verwees de rechter de WHV in 2006 naar de prullenbak. De varkenspest was inmiddels al negen jaar achter de rug.

25 jaar later nog altijd pijn en boosheid

Het bedrijf dat op 6 maart 1998 besmet verklaard werd, bleek uiteindelijk het laatste en op 9 mei 1998 werd Nederland officieel weer pestvrij verklaard. Inmiddels is de hele episode 25 jaar geleden. Een generatie die het niet zelf heeft meegemaakt, groeide sindsdien op. Zij kennen de verhalen van horen zeggen, maar voelen niet de pijn en de boosheid die er na al die jaren bij velen nog altijd zit over alles wat er toen is gebeurd.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief varkensgezondheid en ontvang maandelijks gratis artikelen die normaal alleen te lezen zijn voor abonnees.

Internet speelde nog geen rol bij de informatie, Boerderij publiceerde wekelijks een ververst kaartje met vervoersverboden.

Het landbouwministerie verweet boeren dat ze zelf schuld hadden aan de varkenspest, maar zelf ging ze ook niet vrijuit..

Weer opstarten na een tijd niet geïnsemineerd te hebben, hoe pak je dat aan? Niet meteen alles wat berig was insemineren, zo was het advies.

Boeren waren bang dat door het slepen met gedode dieren het virus verder zou verspreiden. Dat bleek gelukkig niet te gebeuren.

Er was een groot tekort aan mensen om de uitbraak te bestrijden. Daarom werden onder meer agrarische studenten ingezet.

Stukje bij beetje werd meer bekend over wat zich de eerste dagen van de uitbraak had afgespeeld. Boerderij volgde de ontwikkelingen op de voet.

Uiteindelijk had de overheid een internetpagina. Aangezien lang niet alle boeren toen thuis internet hadden, droeg dit weinig bij aan de informatievoorziening.

Boerderij kreeg veel ingezonden brieven van abonnees. Een daarvan was in dichtvorm.

Het fokverbod baarde boeren zorgen. Ze zagen hun zeugen vervetten en vreesden dat ze niet meer drachtig zouden kunnen worden. Uitbreiding van het verbod maakte voor hen de zorgen nog groter.

Beheer
WP Admin