Een ruiter moest steil staan, met de poten maximaal een meter uit elkaar. Dat voorkwam inregenen, bovendien kon er dan niet al te veel gras op. BoerenlevenAchtergrond

Ruiteren was een kunst apart

Op de foto uit 1966 is gras op ruiters getast.

Ruiteren werd aangeraden bij jong gras, veel klaver en bij gras dat gewonnen werd op lage, vochtige percelen. Door het gewas snel los van de grond te halen, kon het sneller drogen. Dat was belangrijk om eiwitverliezen binnen de perken te houden.

Foto: Misset

Foto: Misset

Hooiweer

Hooi werd gezien als hét ruwvoer voor de winter, maar Nederlands weer was en is meestal geen goed hooiweer. Zelfs onder optimale omstandigheden verloor drogend gras 30% van het gehalte ruw eiwit door de lange veldperiode, een probleem dat met inkuilen tot een minimum werd beperkt.

Vak apart

Ruiteren hield meer in dan het gras op een driepoot kwakken. Ruiteren was een vak apart. Het risico bestond dat men de poten te ver uit elkaar zette, waardoor het geheel te veel horizontaal kwam te staan. Als vanzelf pakte men er dan te veel gras op, wat nadelig was voor het droogproces.

Dakruiters

Er waren diverse ruiters: driepoten, vierpoten en dakruiters. De eerste was het goedkoopst, de dakruiter het duurst. Daar was echter wel meer gras op te pakken, zodat de kosten per hectare per type niet veel verschilden. Hoewel ruiteren veel werk vergde, was het toch minder arbeidsintensief dan andere hooimethodes, waarbij het gras steeds gekeerd moest worden. Daarom won deze manier van hooien gaandeweg aan populariteit.

In de rubriek Zo ging het toen gaan we terug in de tijd. Boerderij bestaat al meer dan 100 jaar en aan de hand van foto's uit het archief kijken we naar de agrarische sector in de vorige eeuw. Benieuwd naar meer historie? Check het dossier Zo ging het toen.