Selecteren van pootaardappelen. Zieke planten in het perceel lijken altijd nog de belangrijkste besmettingsbron. Daarom starten telers zo snel mogelijk met selecteren. - Foto: Jan Willem Schouten AkkerbouwAchtergrond

Te weinig grip op virusbesmettingen in pootaardappelen

Virusbesmettingen in pootaardappelen zijn een toenemend probleem. De sector wil meer inzicht krijgen in de oorzaken en mogelijke methoden om besmettingen te voorkomen.

Vanaf 2017 is er een duidelijke stijging van het aantal percelen pootaardappelen dat als gevolg van Y-virusbesmetting in klasse verlaagd of afgekeurd wordt. In 2020 is er volgens de cijfers van de NAK in de nacontrole 23,6% van de partijen pootgoed in klasse verlaagd. In 2019 was dat 29,3% en in 2018 20,6%.

Dit zijn hoge getallen die de sector veel geld kosten. Technisch coördinator van de NAK, Jeroen Winkelhorst, verklaart het hoge besmettingsniveau door een samenloop van omstandigheden en een cumulerend effect. Als gevolg van de zachte winters overleefden luizenkolonies en kwamen luizenvluchten al vroeg op gang. Gegevens van de NAK laten zien dat in 2020 de luizenvluchten half mei al op gang kwamen, terwijl die vóór 2017 pas in juni begonnen.

Vroege vluchten

Tegen die vroege vluchten met besmettelijke luizen is volgens Winkelhorst niet op te selecteren. Als de aardappelen net boven komen, zijn virussymptomen nauwelijks zichtbaar, terwijl luizen al wel virus op kunnen pikken van besmette planten en deze overbrengen. Daarbij komt dat de uitgangssituatie niet gunstig is. Het hoge aantal verlagingen in de nacontrole wijst er op dat er mogelijk in het uitgangsmateriaal al een lage concentratie virus voorkomt. Die situatie is door de droge en warme zomers van 2018 en 2019 in gang gezet. Door de droge en heldere weersomstandigheden was het voor pootgoedtelers en keurmeesters in die jaren moeilijk om de virussymptomen te herkennen waardoor de virusdruk verder is opgelopen.

In combinatie met vroege luisvluchten resulteerde dat in de veldkeuring van 2020 in relatief veel klasseverlagingen als gevolg van primaire besmettingen. De verlagingen in de veldkeuring maken dat de resultaten van de nacontrole in 2020 iets minder slecht zijn dan die over teeltjaar 2019.

Winkelhorst is niet al te somber over het verder oplopen van de Y-virusbesmettingen. “We hebben in het verleden ook al jaren gehad met hoge virusbesmettingen, en dat is ook weer afgevlakt. Als we een seizoen krijgen met wat donkerder en koeler weer, zodat telers goed kunnen selecteren, zul je zien dat de keuringsresultaten weer verbeteren. Ook een strengere winter met minder vroege luisvluchten en minder aardappelopslag helpt besmettingen te beperken.”

Bespuiting van pootaardappelen om het gewas tegen virusoverdracht door luizen te beschermen. - Foto: Jan Willem Schouten
Bespuiting van pootaardappelen om het gewas tegen virusoverdracht door luizen te beschermen. – Foto: Jan Willem Schouten

Breed onderzoek

De zorgen zijn echter niet weg. Klimaatverandering en druk op het middelengebruik baren de sector wel zorgen. Om meer zicht te krijgen op de verspreiding van het virus en om handvatten te ontwikkelen om besmettingen te voorkomen is het initiatief tot een Publiek-private samenwerking (PPS) Virus- en vectorbeheersing in de pootaardappelteelt genomen. Dit project loopt van 2019 tot in 2023. De inzet van het project is om betere monitoringstechnieken op bladluizen te ontwikkelen, te weten waar het virus vandaan komt en te onderzoeken wat de belangrijkste infectieperiode is.

PPS projectleider Martin Verbeek beoogt in het vierjarige project te komen tot een systeemaanpak van virus en vector die telers een handvat biedt om goed pootgoed te kunnen telen. Het project is nu halverwege, maar er worden nog geen bevindingen of voorlopige resultaten naar buiten gebracht.

Er zijn meerdere factoren die een rol spelen in de toenemende virusdruk. In het onderzoek wordt onder andere gekeken naar wat het effect is van de verschuiving van de PVY-virusstammen of isolaten. De huidige adviezen en uitgangspunten zijn vooral gebaseerd op de Yo- en Yn-stammen, terwijl er een verschuiving naar Yntn- en Yn-Wilgastammen heeft plaatsgevonden.

De laatste keer dat de NAK onderzoek deed naar de verspreiding van de Y-stammen was in 2016 en toen bleek dat de verhouding tussen de stammen vrij stabiel was. Er zijn volgens de NAK geen aanwijzingen dat dat nu anders is.

Herkenbaarheid nieuwere stammen

Van de nieuwere stammen zijn de veldsymptomen mogelijk moeilijker te herkennen, zodat geïnfecteerde planten met de selectie en veldkeuring niet opgemerkt worden. Pas bij de nacontrole blijkt dan dat er toch virus in de partij zit. Ook kan het zijn dat de nieuwere stammen sneller de knollen infecteren. Bij de vroegere verplichte loofdodingsdata is ervan uitgegaan dat het virus na infectie na tien dagen in de knol zit en vervolgens na tien dagen symptomen geeft in het loof. Maar bij zeer vroege besmettingen zijn einddata geen oplossing meer.

Bloemstrook. Het is nog niet duidelijk of een bloemstrook gunstig of juist ongunstig is voor Y-virus. - Foto: Hans Prinsen
Bloemstrook. Het is nog niet duidelijk of een bloemstrook gunstig of juist ongunstig is voor Y-virus. – Foto: Hans Prinsen

Tot nu toe wordt ervan uitgegaan dat het grootste deel van de virusinfecties afkomstig is uit het aardappelveld zelf of uit buurpercelen met consumptieaardappelen of met aardappelopslag en dat verspreiding van virus vrijwel alleen binnen het aardappelveld plaatsvindt. Binnen de PPS wordt ook onderzocht of wilde planten een bron kunnen zijn voor het Y-virus. Daarbij wordt niet alleen onderzocht of ze drager zijn, maar ook of de luis ze uit deze plant oppikt. Ook groenbemesters worden in dit onderzoek meegenomen.

Een andere factor die Verbeek noemt als verklaring voor de toenemende virusdruk, is een mogelijke resistentie van bladluizen tegen insecticiden waardoor bespuitingen minder effectief zijn. In de PPS is dat onderzoek dit jaar als een nieuwe module opgenomen.

Insectenfuiken

Om beter zicht te krijgen op het aantal en soort luizen dat op de aardappelpercelen rondvliegt, plaatst Wageningen UR insectenfuiken in de buurt van de drie hoge zuigvallen van de NAK. De bedoeling is om een techniek te ontwikkelen waarmee op basis van DNA van de gevangen insecten eenvoudig en snel bepaald kan worden welke insecten er gevangen zijn en hoeveel en of ze virus bij zich dragen.

De resultaten van de fuiken worden ook vergeleken met de resultaten van de hoge zuigvallen en die van de gele vangbakken die de NAK gebruikt. Voor het monitoren van de luizen is de NAK gestopt met het afkloppen van planten omdat daar menselijk handelen invloed kan hebben op het resultaat. Het aantal gele vangbakken is met twee uitgebreid naar 40 zodat er een breed netwerk is voor de luismonitoring. Vanwege de steeds vroegere luisvluchten wordt nu op 1 mei gestart met het aftappen van de bakken.