AkkerbouwAchtergrond

Shell investeert fors in bio-ethanol

Shell investeert fiks in de productie en vermarkting van bio-ethanol op basis van Braziliaans suikerriet maar zet tegelijk in op de tweede generatie biobrandstoffen. Die kunnen volgens Shell aan het einde van dit decennium zonder subsidie worden geproduceerd.

Shell geldt als grootste distributeur van biobrandstoffen. Het bedrijf verhandelde in 2010 hiervan 9,6 miljard liter. Sinds ongeveer dertig jaar is het olieconcern ook actief in de ontwikkeling van biobrandstoffen, waarbij de investeringen de laatste tien jaar zijn geaccelereerd. De afgelopen vijf jaar is 2,1 miljard dollar (1,5 miljard euro) gestoken in de ontwikkeling van biobrandstoffen en CO2-reductie.

In juni dit jaar zette Shell een joint venture op met de Braziliaanse ethanolproducent Cosan. Laatstgenoemde brengt 1.730 tankstations en 24 fabrieken voor de verwerking van suikerriet in. Shell bracht zelf 1,6 miljard dollar (1,1 miljard euro) aan cash in, plus activa, waaronder zo’n 2.800 tankstations. De joint venture, Raízen genaamd, vertegenwoordigt een waarde van 12 miljard dollar (8,6 miljard euro).

Volgens Arthur Reijnhart, hoofd alternatieve energie en brandstofontwikkeling bij Shell, verschaft de joint venture Shell direct de schaalgrootte die het nodig denkt te hebben om een leidende speler te worden in de markt voor biobrandstoffen. Shell is volgens Reijnhart als geen ander in staat om processen op te schalen en uit te bouwen. Dat Shell voor het eerst verticaal integreert met bio-ethanol op basis van suiker, is geen toeval. De productie en het vermarkten van bio-ethanol uit Braziliaanse rietsuiker is ook zonder de subsidiërende hand van de overheid winstgevend, aldus Reijnhart. ”Daarin is Brazilië op dit moment uniek.”

De inzet van suikerriet als grondstof in plaats van mais of tarwe heeft onmiskenbaar ook ecologische voordelen. Van een hectare suikerriet kan zevenduizend liter ethanol worden gemaakt. Granen komen daarbij niet in de buurt. De CO2-uitstoot per liter geproduceerde ethanol is tot de helft lager dan bij granen. De ethanolmarkt in Brazilië groeit, aldus Shell, met zes tot tien procent per jaar. Raízen investeert daarom in productie-uitbreiding.

Reijnhart benadrukt dat Brazilië verschilt van andere markten omdat biobrandstoffen daar al dertig jaar worden gestimuleerd door de overheid. Negentig procent van de nieuw gekochte auto’s heeft een ’flex-fuel’ motor en kunnen benzine en ethanol in iedere verhouding aan. De consument kiest aan de pomp voor de voordeligste optie. Een dergelijk beeld in het wegtransport is voor Europa minder waarschijnlijk, aldus Reijnhart, die voor de middellange termijn gelooft in een complexe energiemix van traditionele benzine en diesel, bio-ethanol , biodiesel, LNG en later waterstof en elektrisch. ”Bovendien: in Europa bestaat minder dan veertig procent van de brandstof uit benzine, dus is voor bio-ethanol maar gedeeltelijk ruimte.”

De joint venture is echter meer dan een goede zakelijke propositie, aldus Reijnhart. Het biedt Shell een platform om technologie en processen te ontwikkelen die bruikbaar zijn als de tweede generatie biobrandstoffen – niet vervaardigd uit potentiële voedingsgewassen – aan bod komen. Volgens Reijnhart hangt de marktonwikkeling voor biobrandstoffen voor een belangrijk deel af van wetgeving. In de VS zijn de Farm Lobby en de behoefte aan onafhankelijkheid in de energievoorziening belangrijke prikkels voor beleid. Aan het einde van het huidige decennium kunnen er fabrieken zijn die commercieel aantrekkelijk biobrandstof uit bijvoorbeeld cellulose halen. De tweede generatie-biobrandstoffen hebben uiteindelijk de toekomst. Dat betekent niet dat de investering in Raízen slechts relevant is voor een beperkte periode. Raízen biedt ons ook distributiekanalen.”

Van het huidige wereldwijde akkerbouwareaal (inclusief weilanden) wordt niet meer dan 1,1 procent gebruikt voor energiegewassen, aldus Reijnhart. ”Shell gelooft niet dat het veel verder dan twee of drie procent zal komen.” Wetenschappers van de Union of Concerned Scientists in de VS pleiten voor het meerekenen van indirecte verandering van landgebruik (lees: boskap ten behoeve van akkerbouw) bij de CO2-balans. Reijnhart vindt dat indirecte verandering van landgebruik relevant is, maar dat gevolgen verschrikkelijk moeilijk zijn te berekenen. De percentages plaatsen het Food versus Fuel in perspectief, aldus Reijnhart.

”Het blijft belangrijk deze complexe dynamiek nauwkeurig te bekijken, maar de wetenschappelijke consensus lijkt te zijn dat de pieken in voedselprijzen van de afgelopen jaren niet zijn veroorzaakt door biobrandstoffen. Aanpassing van het stimulerende beleid voor biobrandstoffen ook van de eerste generatie, zoals Rabobank voorstaat, kan volgens Reijnhart negatief uitpakken. ”De kosten van ontwikkeling zijn te hoog voor elke ’first-mover’ om te dragen.” Zonder stimulering worden afwachtende, kopiërende bedrijven beloond, en de innovatieve bedrijven gestraft. Innovatie is echter een noodzakelijk ingrediënt om straks aan de bijmengverplichting te voldoen, aldus Reijnhart.

‘EU doelstellingen moeilijk haalbaar’

De EU wil dat in 2020 tien procent van de energiemix duurzaam is. Reijnhart noemt de doelstelling haalbaar, mits de overheid regelgeving voor brandstofproducenten koppelt aan regels voor de automobielindustrie. De industrie loopt aan tegen wat Reijnhart een “blend wall” noemt. “Het helpt ons niet dat de eisen voor motoren alleen dwingend zijn wat betreft de reductie van uitstoot van CO2, en niet wat betreft de brandstof die de motor moet kunnen verwerken.”

De verbrandingsmotoren die nu wereldwijd worden afgezet, zijn niet geschikt voor een gehalte van meer dan tien procent bio-ethanol of zeven procent biodiesel, aldus Reijnhart, die denkt dat de percentages in 2015 of 2016 gehaald worden. “In Europa rijden 225 miljoen auto’s rond. Het is een enorme opgave, ook financieel, om aanpassingen te doen aan zoveel motoren.”

Beheer
WP Admin