AlgemeenAchtergrond

‘Boer moet randfiguur aanpakken’

Duynie-directeur Richard Corsmit vindt dat uitbannen van dubieuze leveranciers actie van boeren vraagt. En slechte bijproducten verdwijnen door fosfaateisen.

Nevedi en LTO willen via het voerspoor de aanvoer van fosfaat in de veehouderij drukken. Richard Corsmit, directeur van Duynie, vindt dat samen met de producenten moet worden gekeken of dat überhaupt mogelijk is. „Net zoals bij de introductie van GMP hebben we hierin met de producenten een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Bij veel bijproducten speelt de fosfaatproblematiek niet eens. Uiteindelijk komt het toch weer op de boer neer: welke producten kiest hij en in welke mate? We zijn in de weer om zaken zo efficiënt mogelijk te benutten. De overheid moet zich daar ook van bewust zijn. De neiging bestaat de reststromen onder de afvalstoffenwet te brengen terwijl het waardevolle veevoeders zijn. Daar mag je best regels voor opstellen.’’

Horen we u zeggen: haal de vetten maar uit de veevoeders?

„Nee. U doelt op de dioxine-affaires van de laatste jaren. Ook de boer heeft daarin zijn verantwoordelijkheid. In iedere sector kan iedereen aanwijzen wie de randfiguren zijn, en niemand begrijpt dat ze nog in business zijn. Maar feit is dat er gewoon van gekocht wordt.’’

Zolang er GMP op staat is het toch betrouwbaar?

Het blijft heel lang stil. „Laat ik het zo zeggen, op ons bedrijf hoeft de GMP-vlag niet te hangen, er verandert niks.’’

Waarom pakt de branche de randfiguren niet zelf aan?

„Zaken moeten helder en bewezen zijn. Aan vermoedens heb je niets. Zelfs als het klip-en-klaar is, blijven boeren er nog van kopen vanwege prijs of ander sentiment. Als het dan weer fout gaat, wordt verwezen naar ‘de sector’. Zo werkt het niet natuurlijk. De enige manier waarop het werkt is als de klant zegt: dat hoeft voor mij niet meer.’’

Denkt u nu echt dat de boer daar zelf mee afrekent?

„Dat is lastig, ze kunnen het vaak ook niet goed doorzien. Je ziet in onze sector steeds vaker dat toeleveranciers screenen. Wij doen bijvoorbeeld zaken met Pepsico International. We doen geen zaken met een lokaal chipsfabriekje, nee, we maken de afspraken in Zwitserland. Denk maar niet dat Pepsico zijn merken te grabbel wil gooien. We zijn binnenstebuiten gekeerd om überhaupt klant bij ze te mogen worden. Toeleveranciers willen geen risico’s lopen. Ze willen zaken doen met een bedrijf dat kredietwaardig is, een goede naam heeft, aan ontwikkeling doet, dat professioneel is. Met dat soort checks heb ik nooit problemen.”

Terug naar fosfaat. In hoeverre ziet u kansen?

„We zijn bezig met innovaties op veevoergebied. Zaken eruit halen en in een hoogwaardiger markt afzetten. Om op lange termijn de veevoerstromen in stand te houden, moeten er ontwikkelingen worden doorgevoerd. We zoeken voor de minder makkelijke stromen een andere afzet, zodat je op een natuurlijke manier voor de betere stromen een betere prijs kunt betalen. Daar hebben wij, en ook de producenten, belang bij. Dat betekent op de langere termijn een betere benutting van dat veevoer door het dier.
Grondstoffen zo goed mogelijk benutten is gewoon zakelijk. Het kan efficiënter en beter. Daaraan moet de overheid meewerken. Mest wordt straks geld waard. In Oost-Duitsland is fosfaat schaars, wij zitten op een fosfaatberg. Als je die mest opknipt, zijn er goede exportmogelijkheden. Areaal zat, mest te weinig.
Waar ik wel moeite mee heb is dat de overheid zegt: ‘fosfaat moet minder’, maar aan de andere kant de subsidiekraan opendraait voor mestvergisters. Daarmee stimuleert ze de fosfaatproductie en vergroot ze het probleem.”

Beheer
WP Admin