Varkenshouderij

Achtergrond

Rekenmodel voor varkenshouder geeft nieuwe inzichten

Topigs Norsvin heeft een model waarmee varkenshouders veranderingen in de bedrijfsvoering kunnen doorrekenen. Het geeft verrassende inzichten.

In de zeugenhouderij is steeds meer aandacht voor het rendement in de kraamstal. Zo rekent Abab sinds enkele jaren met het kengetal resultaat per € 1.000 huisvestingswaarde en stalinrichter Vereijken Hooijer introduceert het kengetal toomrendement.

  • Model maakt effect kleine aanpassing inzichtelijk
  • Minder focus op laatste biggen snel interessant
  • Experts zijn positief, vooral voor bewustwording

Rekenmodule om aanpassingen door te berekenen

Het draait om bewustwording rond keuzes. In dat rijtje past ook de rekenmodule waarmee fokkerijorganisatie Topigs Norsvin recentelijk de (varkens)boer op gaat. Met het model worden eenvoudig aanpassingen in de bedrijfsopzet doorgerekend, zoals een ander type beer of zeug of wat een investering in bigvitaliteit mag kosten.

Uitgangspunt is de huidige situatie met type genetica, aantallen en werkwijzen. De meest bekende afweging is of een extra big wel rendabel is. Als alles wordt geteld, is dat in veel gevallen niet het geval, kan Rick ter Haar, sales- en accountmanager bij de fokkerijorganisatie, vast verklappen.

Lees verder onder de foto.

Het model van Topigs Norsvin is bedoeld om aanpassingen in de bedrijfsopzet door te rekenen, zoals een ander type beer of zeug of wat een investering in meer bigvitaliteit mag kosten. - Foto's: Ronald Hissink
Het model van Topigs Norsvin is bedoeld om aanpassingen in de bedrijfsopzet door te rekenen, zoals een ander type beer of zeug of wat een investering in meer bigvitaliteit mag kosten. - Foto's: Ronald Hissink

Biggengroei en geboortegewicht

Het rekenmodel is in eigen beheer bij Topigs Norsvin gemaakt. De achterliggende data zijn deels afkomstig van de eigen organisatie, maar ook uit wetenschappelijk en praktijkonderzoek. Zo wordt de beoogde biggengroei bepaald aan de hand van het geboortegewicht.

Niet alles is bekend, dus zijn ook berekende data en aannames nodig. Dat geldt bijvoorbeeld voor het geboortegewicht en voeropname van de biggen. “We bepalen dat samen met de zeugenhouder. Wat vindt hij reëel gezien de resultaten en mogelijkheden op het bedrijf.” Vanzelfsprekend geldt: hoe nauwkeuriger de informatie, hoe betrouwbaarder de calculatie.

Pleegzeugen en moederloze opfok

Speciale aandacht krijgt de inzet van pleegzeugen en moederloze opfok. Het model neemt de kosten die met beide systemen gemoeid zijn mee in de berekening. Moederloze opfok kost bijvoorbeeld geld en bij pleegzeugen worden dure kraamstallen niet benut. Ook worden verbanden aangegeven, zoals tussen het gewicht van biggen en de uitval en kosten voor voer en arbeid en aantal slachtbiggen.

We merken dat ondernemers vooraf moeilijk kunnen inschatten hoe groot het effect van een kleine aanpassing op het totale resultaat is

De calculaties kunnen zeugenhouders helpen bij het maken van keuzes, maar geven in de eerste plaats meer inzicht en bewustzijn. Ter Haar noemt het in veel gevallen eyeopeners. “We merken dat ondernemers vooraf moeilijk kunnen inschatten hoe groot het effect van een kleine aanpassing op het totale resultaat is.”

Vijf scenario’s doorgerekend

Om de mogelijkheden van het model te laten zien, heeft Ter Haar vijf situaties doorgerekend. Ze zijn deels gebaseerd op de tientallen calculaties die inmiddels bij varkenshouders zijn gemaakt. “Maar in principe kunnen we alles simuleren. Als maar duidelijk is wat de uitgangssituatie en de aannames zijn.”

De vijf scenario’s op een rij:

Scenario 1: Investeren in koelen voor lagere staltemperatuur

In het eerste scenario is de invloed van een hoge temperatuur op de productie doorgerekend. Daarmee is te bepalen wat een investering in koeling mag kosten. Op basis van praktijkervaring is uitgegaan van 0,2 big lager levend geboren, een daling van de worpindex met 0,01 en 1% meer sterfte bij zeugen, dus 1% meer vervanging.
Voor het voorbeeldbedrijf met 800 zeugen betekent dat een inkomstenderving van € 14.124 per jaar. Bij 15% jaarkosten mag een investering in koeling dus ruim € 94.000 kosten.

Scenario 2: Meer biggen grootbrengen

Het tweede scenario is redelijk rechttoe rechtaan; wat betekent het als het aantal grootgebrachte biggen per zeug met een halve per jaar toeneemt? Dat kan bijvoorbeeld door een andere zeug, maar ook door beter management van de varkenshouder waardoor de zeug meer melk geeft. Het voordeel zit dan vooral in minder kosten voor moederloze opfok; er zijn geen zes maar slechts twee units nodig met € 688 aan jaarkosten per stuk. Ook vindt een besparing op voer en arbeid plaats.
Onder de streep is de besparing € 15.454 per jaar, wat neerkomt op € 20 per zeug of € 0,60 per big. Dat zijn dus de kosten die een varkenshouder mag maken.

Scenario 3: Week later spenen

De speenleeftijd verhogen van vier naar vijf weken kan voordelen hebben voor de gezondheid van biggen. Dat is doorgerekend in scenario 3. Het betekent wel dat minder zeugen kunnen worden gehouden. In dit voorbeeld betekent het terug naar 704 zeugen. Om het effect van 96 zeugen minder goed te maken moet het aantal biggen met 1,5 toenemen, het aantal doodgeboren biggen met 0,2 zakken, de worpindex met 0,05 zakken en de voerconversie in de biggenopfok dalen met 0,1. Hierdoor is er onderaan de streep nagenoeg geen negatief effect. Daarbij is geen rekening gehouden met het geboortegewicht. Het speengewicht ligt wel 1,5 kilo hoger.

Scenario 4: Extra biggen of prijs

Als een big meer opbrengt, hoeft de focus wat minder op biggenproductie te liggen, is een gedachte. Hoe dat economisch uitpakt, staat in scenario 4. Hierbij stijgt het aantal gespeende biggen van 30,7 naar 32,2, dus 1,5 big meer per zeug. Dat betekent veel meer opbrengsten, maar ook meer kosten voor moederloze opfok, gezondheid, biggenvoer en slachtbiggen.

Om onder de streep op nul uit te komen moet de biggenprijs € 1 per big stijgen. In theorie is dat een kleine meeropbrengst die zich vrij gemakkelijk terug lijkt te betalen. In de praktijk is het echter lastig om een meerprijs uit de markt te halen.

Scenario 5: Meer zorg in de kraamstal

Het vijfde scenario gaat over meer arbeid. Uitval en vitaliteit worden vaak in één adem genoemd met voldoende zorg in de kraamstal. De vraag is hoeveel de resultaten moeten verbeteren als een zeugenhouder investeert in arbeid.

Een uur extra arbeid per zeug kost op het bedrijf met 800 zeugen op jaarbasis € 20.000 extra. Dat is 16 uur extra arbeid per week. Ook andere kosten nemen toe doordat er meer biggen zijn, zoals voor moederloze opfok en voer. Om de extra kosten te compenseren moet de uitval tot spenen met 3% afnemen. In dit voorbeeld daalt deze van 12 naar 9%. Een ondernemer moet zelf bepalen of dat haalbaar is.

Lees verder onder de foto.

Het maken van pleegzeugen is een mogelijkheid bij een overschot aan biggen, maar gaat wel ten koste van de benutting van het kraamhok. Het model van Topigs Norsvin kan de consequenties berekenen.
Het maken van pleegzeugen is een mogelijkheid bij een overschot aan biggen, maar gaat wel ten koste van de benutting van het kraamhok. Het model van Topigs Norsvin kan de consequenties berekenen.

‘Bewustwording is het begin van de oplossing’

Deskundigen zijn positief over het model. Wel zijn ze kritisch op de waarde van de uitkomsten.
Het model van Topigs Norsvin is volgens Erik van der Hijden, directeur van adviesbureau Farmadvies, een mooi instrument om aspecten van de bedrijfsvoering inzichtelijk te maken. “Het is een handig stuk gereedschap dat helpt om keuzes te maken.”

Wel plaatst Van der Hijden enkele opmerkingen. Zo verwacht hij dat het lastig is om de management- en omgevingsaspecten goed in te kunnen schatten. Verder zou hij vanuit zijn eigen professie graag zien dat op basis van de actuele financiële situatie simulaties gemaakt kunnen worden. “Dat is interessant maar zou het model wel heel complex maken.”

Remco Janssen, adviseur varkenshouderij bij Abab, verwacht dat het model bijdraagt aan denken in rendement. “En het brengt de sterke en zwakke punten van een bedrijf goed in beeld.” De focus op bigvitaliteit vindt hij belangrijk, zeker gezien de maatschappelijke discussie. Kanttekeningen zet Janssen bij de aannames en de rol van de varkenshouders zelf bij het behalen van de resultaten. “Verschillen tussen varkenshouders zijn groter dan tussen genetica. Met name managementvaardigheden van de varkenshouder spelen een essentiële rol.”

Zijn collega Kees Ligthart staat in het algemeen positief tegenover een dergelijke aanpak. “We maken zelf varkenshouders meer bewust met het kengetal productieresultaat per € 1.000 huisvestingswaarde.” Hij vindt het belangrijk dat ondernemers nooit op één aspect focussen maar het brede beeld blijven zien. “Bewustwording is altijd het begin van een oplossing.”

Enkele uitgangspunten voor de berekeningen bij de genoemde vijf scenario’s zijn:

 

  • 192 kraamhokken;
  • kosten moederloze opfok € 688 per unit;
  • tarief arbeid € 25 per uur;
  • biggenprijs inclusief toeslag € 50;
  • opbrengstprijs slachtbig € 18;
  • aankoopprijs fokgelt € 150.

 

Voor nog meer informatie én een uitgebreide tabel met uitgangspunten en economische gevolgen van de genoemde vijf scenario's voor een varkensbedrijf met 800 zeugen : zie het weekblad Boerderij, editie 1 van dinsdag 14 januari.

Of registreer je om te kunnen reageren.