Varkenshouderij

Achtergrond

Met 30,2 biggen toch slechts tweede

De exportpositie van Nederland als leverancier van varkensvlees, vleesvarkens en biggen staat onder druk. De productiviteit is prima, maar de kosten zijn lager in rivaliserende landen, vooral Denemarken.

InterPIG, het internationale economische netwerk voor de varkenssector, heeft recent de gegevens van zijn jaarlijkse kostenvergelijking tussen varkenshouderijen in een reeks van landen in de EU, de VS en Brazilië bekendgemaakt. Het betreft het jaar 2017. Nederland scoort met een overall kostprijs van € 1,53 per kilo geproduceerd varkensvlees (warm geslacht gewicht) een halve cent boven het gemiddelde van de kosten in de 13 Europese landen in de beschouwing. In 2015 en 2016 was het verschil nog ruim 2 cent, dus er lijkt verbetering in te zitten. Sowieso zijn de productiekosten voor de Nederlandse varkenshouder in 2 jaar tijd gedaald met ruim 7 cent. De situatie is echter nog steeds niet rooskleurig, zeker met het oog op de exportpositie van Nederland.

De Nederlandse biggenproductie is in de afgelopen tientallen jaren enorm verbeterd, maar moet het nog afleggen tegen die in Denemarken, ook kostentechnisch. - Foto: Ronald Hissink
De Nederlandse biggenproductie is in de afgelopen tientallen jaren enorm verbeterd, maar moet het nog afleggen tegen die in Denemarken, ook kostentechnisch. - Foto: Ronald Hissink

Binnen InterPIG wordt Nederland vertegenwoordigd door Robert Hoste, econoom varkensproductie van Wageningen Economic Research. Hoste en de andere experts maken ieder jaar een internationale vergelijking van de productiekosten die nodig zijn in een professioneel gesloten werkend varkensbedrijf. De varkenseconomen betrekken daarin de situatie in de EU, de VS, Canada en Brazilië. Echter, vanwege het grote belang van de Nederlandse export van varkensvlees, vleesvarkens en niet te vergeten biggen binnen Europa, is het vooral interessant te kijken naar de stand van zaken in de grote andere EU-exportlanden, aldus Hoste.

Voerconversie internationaal het sterkste punt

Mestafzetkosten blijven blok aan het been

Deen rivaal, Duitser wordt steeds meer klant

De cijfers van InterPIG geven, als we ons beperken tot die groep, grotere verschillen aan dan de eerder genoemde, aldus Hoste.

 

 

Absolute kosten in euro’s en harde cijfers over de productie per zeug zijn interessant. Om snel te zien hoe deze concurrentie ten opzichte van Nederland procentueel ‘scoort’, is dat in de tabel aangegeven in kleur. De kosten en prestaties van Nederland zijn gesteld op 100%. Blauwe cijfers staan voor mindere prestaties dan wel hogere kosten, rode cijfers geven aan waar Nederland het onderspit delft.

Mest blok aan het been

Het voor Nederland meest negatieve element in de vergelijking is de mestafzet, in de tabel overigens ook verdisconteerd in de post ‘overige variabele kosten’, ofwel alles wat valt buiten voer, arbeid en de vaste kosten. De mestafzetkosten zijn torenhoog ten opzichte van die in de concurrerende landen. Denemarken betaalt een fractie van het Nederlandse ‘tarief’. In het buitenland betalen de Belgen het meest, maar dat is nog maar de helft van de kosten in Nederland. In de VS en Brazilië zijn de kosten nihil en in enkele EU-lidstaten wordt er zelfs aan verdiend.

Qua productiviteit moet Nederland het eigenlijk alleen afleggen tegen Denemarken. De Denen hebben zich in de afgelopen decennia bewezen als meester-varkenshouders met specialisme in biggenproductie. Daardoor komt de Nederlandse varkenshouderij met een niet bepaald geringe jaarproductie van 30,2 gespeende biggen per zeug internationaal gezien toch nog op de tweede plaats, Denemarken haalt 33,3 biggen.

De voerkosten laten voor Nederland een minder negatief beeld zien

De overige concurrentie moet het ten opzichte van Nederland vooral hebben van kostenvoordelen. Zo is de post huisvesting in Spanje aanzienlijk lager dan in noordelijker contreien. Spanje ontwikkelt zich overigens sterk. Het kost er minder om biggen te produceren, maar de productie per zeug ligt nog achter bij de Nederlandse. Voor de explosief groeiende vleesvarkensproductie importeert Spanje dan ook veel Nederlandse biggen. Dat zal tijdelijk zijn, denkt Hoste. De opbouw van de Spaanse sector is namelijk sterk geïntegreerd. De gesignaleerde uitbreiding is begonnen met opvoeren van de vleesvarkensproductie. Naar verwachting hebben de integraties over enkele jaren de inhaalslag gemaakt in hun zeugenhouderij.

De totale kosten voor de Nederlandse varkenshouderij zijn wat gedaald en nu gelijk aan die in Duitsland. Denemarken boekt echter veel meer verbetering.

Belgen profiteren wel van lagere ‘overige’ variabele kosten, maar hebben meer voer nodig per geproduceerd varken of big. De voerkosten laten voor Nederland over de hele linie toch al een minder negatief beeld zien, maar concurrenten Denemarken en Frankrijk hebben de afgelopen jaren kostendaling kunnen boeken, waar Nederland pas op de plaats maakte.

Ronduit positief is de overall-voerconversie, ofwel het totale voerverbruik op een gesloten varkensbedrijf, gedeeld door het totaal levende gewicht van de afgeleverde vleesvarkens. In de praktijk blijkt wel dat in alle landen de verschillen tussen bedrijven nog erg groot zijn. Volgens Hoste biedt dit aspect beslist mogelijkheden voor verbetering, maar is het sterk afhankelijk van het door de varkenshouder gekozen systeem en de gebruikte grondstoffen. Vooral Spanje realiseert verbetering. Spanje kwam van ver, de voerconversie lag er in 2008 nog rond 3,0.

Een van de sterkste punten van Nederland is de overall voerconversie. Spanje heeft wat dit aspect betreft een inhaalslag gemaakt, maar kwam dan ook van ver.

Duitsland afzetgebied en strijdtoneel

Op de keper beschouwd wijst de kostenvergelijking uit dat de Nederlandse varkenssector voor zijn exportpositie Denemarken als grootste bedreiging moet zien. België komt redelijk mee, maar kampt zoals bekend momenteel met het probleem Afrikaanse varkenspest. Frankrijk heeft moeite met de vleesexport.

Het laten afvoeren van mest is voor de varkenshouderij in Nederland een enorm blok aan het been, dat de totale kosten per kilo geproduceerd vlees ruim 8 cent opdrijft. - Foto: Peter Roek
Het laten afvoeren van mest is voor de varkenshouderij in Nederland een enorm blok aan het been, dat de totale kosten per kilo geproduceerd vlees ruim 8 cent opdrijft. - Foto: Peter Roek

Duitsland ligt op verschillende fronten achter op Nederland. Dat is mede het gevolg van de gemiddeld kleinschaliger bedrijfsvoering.

De levende export van vleesvarkens naar Duitsland is echter enorm afgenomen, naar de helft (minder dan 2 miljoen vleesvarkens per jaar) ten opzichte van 10 jaar geleden. Dat komt enerzijds door groei van de Duitse varkensstapel, maar ook doordat de Nederlandse vleesindustrie efficiënter is geworden.

Het prijsverschil tussen Nederland en Duitsland is flink verkleind. De aanzienlijk hogere productiekosten per Duitse big, die op termijn nog stijgen als gevolg van strengere wetgeving, maken import van biggen uit Nederland wel aantrekkelijk. Duitsland is in dat opzicht eerder klant dan rivaal. De Duitse sector zal wel de zwaardere eisen aan de eigen biggenproductie ‘doorvertalen’ naar de import. Dat vergt aanpassing voor een deel van de Nederlandse zeugenhouders om in Duitsland het gevecht aan te kunnen gaan met biggenleverancier Denemarken, die ook in 2018 weer meer gas heeft bijgegeven.

Verder is er de uitdaging om sterke afzetrelaties te hebben en uit te bouwen in Oost-Europese landen, waar de biggenproductie duidelijk minder efficiënt is.

Biggenexport kwetsbare groeimarkt

Uit de resultaten van de InterPIG-vergelijking valt op te maken dat de Nederlandse biggenproductie een sterke positie inneemt in de EU. De biggen moeten echter ook verkocht worden. De totale export komt dit jaar uit op circa 6,8 miljoen stuks, 8% boven het vijfjarig gemiddelde. Dat ziet er goed uit, maar uit de cijfermatige details blijken enkele kwetsbare kanten. Duitsland neemt twee derde van alles af, wat leidt tot een sterke afhankelijkheid van een markt waar concurrentie prominent aanwezig is.

Biggen exporteren, is voor de Nederlandse varkenssector noodzaak om stand te houden. Duitsland blijft klant nummer 1, zeker nu daar de kosten stijgen. - Foto: Henk Riswick
Biggen exporteren, is voor de Nederlandse varkenssector noodzaak om stand te houden. Duitsland blijft klant nummer 1, zeker nu daar de kosten stijgen. - Foto: Henk Riswick
De biggenuitvoer naar oostelijke EU-lidstaten zou veelbelovend moeten zijn, omdat de productie daar (nog) niet kan wedijveren met die van Nederland of Denemarken, maar deze heeft in de afgelopen jaren eigenlijk alleen averij opgelopen. In Polen doet zich, net als in Duitsland, de sterke positie van Deense biggenleveranciers en Deense deelname in de vleesvarkensproductie gelden. In 2011 zette Nederland daar nog 770.000 biggen af, dit jaar nog geen vijfde daarvan. Van de minder grote biggenklanten is Hongarije weggevallen als bestemming, Roemenië en Kroatië kopen kleinere hoeveelheden. Nieuwkomer Servië is een kleine groeimarkt.
En dan de ogenschijnlijk bloeiende export naar Spanje. Begin deze eeuw was Spanje vooral in het voorjaar een zeer belangrijke bestemming voor Nederlandse biggen. Er werden veel vleesvarkens in all-in-all-out-huisvesting gehouden om voldoende vlees te hebben in het toeristenseizoen. Die seizoensinvloed is nu minder extreem. De integraties nemen het hele jaar door biggen af. Spanje is ook een goede afzetmarkt voor niet-gecastreerde biggen. Als de biggenexport naar Spanje inklapt, heeft dat dus een dubbel negatief effect omdat beertjes elders lastiger te slijten zijn.

Of registreer je om te kunnen reageren.