Varkenshouderij

Achtergrond 1 reactie

Cashen met groei en spek van eindberen

Eindberen die meer groei en spek aan de vleesvarkens meegeven, zijn populair. Het kan varkenshouders technisch en economisch voordeel opleveren.

De vraag naar groeiberen neemt toe. Een belangrijke reden is dat slachterijen spekdikte minder afstraffen dan voorheen. Dat maakt het eerder interessant om in Nederland te leveren. Bovendien geeft meer groei meer rondes per jaar, dus een hogere opbrengst per plaats.

Verder zijn zeugen de afgelopen jaren steeds magerder geworden. Aangezien de zeug de helft van de genetische capaciteiten van het vleesvarken levert, mag de eindbeer wat meer spek overerven. Op de achtergrond speelt mee dat verschillen tussen echte groei- en vleesberen kleiner zijn dan 10 jaar geleden.

Nederlandse slachterijen waarderen wat spek op de varkens beter dan een paar jaar geleden. Dat kan omschakelen naar een groeibeer interessant maken. - Foto's: Bert Jansen
Nederlandse slachterijen waarderen wat spek op de varkens beter dan een paar jaar geleden. Dat kan omschakelen naar een groeibeer interessant maken. - Foto's: Bert Jansen

Roy Strikkeling, marketingmanager bij Topigs Norsvin, geeft aan dat de afzet van de TN Tempo, de groeibeer van de fokkerijorganisatie, 20 tot 25% hoger ligt dan een jaar geleden. Dat gaat met name ten koste van de Piétrain-beren. Andere fokkerijorganisaties zien een soortgelijke verschuiving.

Geen zwart-witverhaal voor elk beertype

Varkenshouders die een andere beer overwegen, kunnen op basis van de verwachtingen van de lijn de keuze onderbouwen. Lastig is dat verschillen tussen resultaten van dezelfde groeibeer groot zijn. Het is daarom geen zwart-witverhaal dat zich exact op beertype laat snijden.

Maximaal benutten groeibeer

  • Groeibeer komt het best tot zijn recht op bedrijven die:
  • gestuurd voeren of aftoppen om te veel vervetting te voorkomen;
  • voerkosten laag houden zonder dat het ten koste gaat van technisch resultaat;
  • een lage infectiedruk hebben voor het behalen van maximale groei;
  • leveren in een slachterijconcept met hogere waardering van vet;
  • uniforme groei hebben en efficiënt afleveren waardoor extra groei leidt tot meer rondes;
  • aan meer van dezelfde biggen kunnen komen of van eigen biggenproductie.

Wel is helder dat groeiberen een hogere groei, meer spek, wat minder vlees en meer robuustheid overerven dan Piétrain-achtigen. Vergelijken op basis van potentiële prestaties is volgens Strikkeling lastig. “Aspecten als voeding, gezondheid en management bepalen uiteindelijk het verschil in resultaten”, zegt hij. Zodoende zijn er varkenshouders met een groeibeer die varkens met een hoger vleespercentage afleveren dan collega’s met een Piétrain. Dat geldt omgekeerd ook voor groei. Verder is de economische beloning van meer of minder spek afhankelijk van het slachterijconcept. De fokkerijorganisatie heeft daarom de zogenoemde berenkieswijzer om op bedrijfsniveau de eindberen door te rekenen.

Het vleesvarken moet passen bij de stal en de ondernemer. De fokkerijorganisatie weet de potentie.
Het vleesvarken moet passen bij de stal en de ondernemer. De fokkerijorganisatie weet de potentie.

Overigens verwacht Strikkeling dat de vraag naar groeiberen doorzet. Ook ziet hij een toenemende vraag naar varkens die een meer onderscheidende vleeskwaliteit vererven. Dat zijn vaak eindberen met Duroc- of Hampshire-bloed. Strikkeling zegt dat binnen het beerportfolio van de organisatie beren beschikbaar zijn met een sterke focus op vleeskwaliteit.

Slachterijconcepten doorgerekend

Om zicht te krijgen op de verschillen tussen de 2 typen eindberen heeft Tom van Horrik, adviseur vleesvarkenshouderij bij Topigs Norsvin, een aantal situaties doorgerekend. Dat is voor 3 typen slachterijconcepten: luxe in Nederland, gericht op Piétrains en een breed concept met meer waardering van spekdikte. De vergelijking is telkens ten opzichte van de Piétrain.

Tekst gaat verder onder de tabel.

Extra groei vertaalt zich via meer rondes per jaar in een hogere voerwinst per aanwezig varken.

Van Horrik rekent met een 0,06 punt ongunstigere voerconversie voor groeiberen. Dat vraagt wel enige nuancering. “Op basis van genetische verschillen mag je van Piétrains een betere voerconversie verwachten. Maar in de praktijk zien we dat lang niet altijd terug”, is zijn ervaring. Verder is de uitval bij groeiberen 0,1 procentpunt lager, is het gebruikte voer bij die vleesvarkens in de praktijk per 100 kilo goedkoper, evenals de aankoop van de big.

Opvallend is dat op het gebied van voerwinst per varken de Piétrain-vleesvarkens in 2 van de 3 concepten de beste kaarten hebben. Maar als de hogere groei resulteert in meer rondes per jaar, halen in alle gevallen de groeiberen de beste voerwinst per gemiddeld aanwezig varken. Dat is natuurlijk een modelmatige benadering waarbij een ondernemer de hogere groei ook moet kunnen omzetten in het leveren van meer vleesvarkens. Randvoorwaarde is dat er voldoende aanbod van biggen is om de hogere rondesnelheid ook om te zetten in het leveren van extra varkens. Daarnaast spelen zaken als uniforme groei, voldoende vaak afleveren en een restafdeling mee.

Vleesvarkens van groeiberen groeien harder dan van Piétrains. Wel is de netto-opbrengstprijs gemiddeld wat lager. Meer rondes moet dat compenseren.
Vleesvarkens van groeiberen groeien harder dan van Piétrains. Wel is de netto-opbrengstprijs gemiddeld wat lager. Meer rondes moet dat compenseren.

Extra groei halen met P410

PIC is een fokkerijorganisatie die nadrukkelijk het voordeel van groeiberen in de markt zet. De organisatie introduceerde recentelijk de P410-eindbeer voor de Nederlandse markt. De P410 is onder Nederlandse omstandigheden getest op bedrijven met verschillende soorten zeugen. De resultaten: onder meer 40 gram meer groei en 0,8 tot 1 millimeter meer spek.

Tekst gaat verder onder de tabel.

De groeibeer P410 van PIC behaalt onder praktijkomstandigheden 40 gram meer groei dan de P408G. De beer zet minder spier en meer spek aan. Dat sluit aan bij nieuwe slachterijconcepten.

Paul van der Meijden, directeur van PIC-NL, zegt dat deze resultaten mogelijk zijn. “Bedrijven die goed zijn ingericht op deze eindbeer kunnen die extra groei zeker halen.” Van der Meijden benadrukt dat ook de zeug bepalend is voor de resultaten bij de vleesvarkens, maar dat de hogere groei en andere spek- en spierdiktes in alle kruisingen met dezelfde eindbeer naar voren komen. “Het absolute niveau kan verschillend zijn, maar de verschillen blijven.”

‘Streven is om de hoeveelheid spier minimaal gelijk te houden, in verband met een efficiënte groei’

Paul van der Meijden, directeur van PIC-NL

Volgens Van der Meijden heeft PIC een historie met het fokken op vlees, maar niet door uiteindelijk minder spek op het varken te krijgen. “Het streven is om de hoeveelheid spier minimaal gelijk te houden, in verband met een efficiënte groei.” Daarnaast verwacht hij meer focus op malsheid en karkaskwaliteit; items waar PIC sinds deze zomer metingen voor doet bij de selectie van fokdieren.

Tendens richting Duroc

De derde fokkerijorganisatie met eindberen is Hypor. Het bedrijf heeft voor de Nederlandse markt momenteel alleen de Maxter beschikbaar. Dit is een van oorsprong Franse Piétrain die in vergelijking met zijn Duitse soortgenoten harder groeit, maar wat meer spek geeft. Hypor ziet meer vraag de laatste tijd. Volgens Jeroen van de Camp, general manager Hypor Northern Europe, zit de Maxter qua groei dichter bij de TN Tempo dan bij een traditionele Piétrain.

Hypor ziet wereldwijd een toenemende interesse in de Duroc-achtige beren Magnus en Kanto. Deze worden in andere delen van Europa al wel gebruikt maar nog niet in Nederland. Van de Camp: “De tendens richting Duroc zien we in heel Europa, vooral op basis van meer intramusculair vet (smaak), meer groeivermogen en uniformiteit dan Piétrains.”

‘Als een vleesvarken zijn groeipotentieel niet haalt, is er een risico op stijging van de voerconversie’

Jeroen van de Camp, general manager Hypor Northern Europe

Momenteel vinden in Duitsland proeven plaats in samenwerking met de Landwirtschaftskammer om meer gedetailleerd inzicht te krijgen in de prestaties onder Europese omstandigheden. Cijfers uit Noord-Amerika zijn niet een-op-een te gebruiken in Nederland. Van de Camp schat dat de groei van een Magnus onder Nederlandse omstandigheden nog 40 tot 50 gram hoger ligt dan bij een Maxter. De dikte van de speklaag zal hierdoor iets hoger zijn, de uitval wat lager. De voerconversie is vergelijkbaar. “Maar dat is sterk afhankelijk van de voeropname en het management. Als een vleesvarken zijn groeipotentieel niet haalt, is er een risico op stijging van de voerconversie.”

Eén reactie

  • john***

    waarom is zijn de groeibiggen 50 cent goedkoper gewaardeerd? als dat economisch voordeel zo groot is kan de vermeerderaar toch best 50 cent meer vragen voor een groeibig dan voor een vleesbig.

Of registreer je om te kunnen reageren.